*

 

'Wij moeten het van schone stijl niet hebben'

JAAP DE BERG − 07/01/98, 00:00

recensie De acht koningsdrama's waarin Shakespeare de Engelse dynastieke geschiedenis van de vijftiende eeuw verbeeldde, zijn het werk van een optimist. Dat zou je op het eerste gezicht niet zeggen. Tussen het begin van 'Richard II', gesitueerd in 1399, en het eind van 'Richard III' in 1485 krioelt het van de vorsten, hertogen en graven die zich roeren in een poel van rebellie, oorlog, misdaad en zonde.

Maar de afloop is zegenrijk. De graaf van Richmond doodt de demonische Richard III. Hij vereent de rivaliserende huizen van Lancaster en York, verlost het land van burgerkrijg en tirannie en herstelt als Hendrik VII de politieke orde, in de ogen van Shakespeare en zijn tijdgenoten een afspiegeling van de goddelijke orde in het heelal.

Deze finale ommekeer kwam Tom Lanoye, wiens tekstuele bewerking van de acht historiestukken vanavond in Rotterdam haar Nederlandse première beleeft, niet gelegen. In zijn 'Ten Oorlog' slaat Risjaar Modderfokker den Derde de hand aan zichzelf. Van Richmond, Shakespeare's zegevierende verlosser, rest niets dan een naakt kind dat in de allerlaatste minuut giechelend opkomt en, zingend over een hoedje van papier, de draak steekt met de kroon.

Lanoye heeft Shakespeare op z'n kop gezet. In zijn tekst kraaien blinde machtswellust, macho-agressie en ongecamoufleerde geilheid koning. Hun triomf weerspiegelt zich in de stilistische degeneratie die, terwijl vorsten en rijksgroten de een na de ander te gronde gaan, zich voltrekt in de zes subdrama's: 'Richaar Deuzième' (Shakespeare's 'Richard II'), 'Hendrik Vier' ('1 en 2 Henry IV'), 'Hendrik de Vijfden' ('Henry V'), 'Margaretha di Napoli' ('1 en 2 Henry VI'), 'Edwaar de King' ('3 Henry VI') en 'Risjaar Modderfokker den Derde' ('Richard III').

Vindingrijk De bewerking is deels bedrieglijk Shakespeariaans. Bij herhaling demonstreert Lanoye dat hij weliswaar vrij maar stijlgetrouw - en vindingrijk - kan vertalen. Maar meteen al in 'Richaar Deuzième' gaat ook de beerput open en begint hij het moderne waangeloof te praktiseren dat ongein en tekstuele verloedering een probaat middel zijn om Shakespeare te updaten.

Richaars kind-koningin interrumpeert haar echtgenoot met de vraag, in het Frans, of ze mag piesen. Zijn neef Aumale speelt de poëet met een obscene parodie op een gedicht van - naar ik meen - Jacqueline van der Waals (“'t Is goed in 't eigen hart te kijken / Des avonds, voor het slapengaan”, hier getransformeerd tot “'t Is goed in d' eigen kut te knijpen / nog even voor het slapengaan”). En Richaar II zelf, inmiddels afgezet door Bolingbroke (Hendrik IV), verheugt zich op vrije tijd voor zijn 'ware dubbelroeping: poëzie en onanie'.

Zo smeerpijpt Lanoye wat af, tussen de Shakespeariaanse bedrijven door - alsof het er bij boeren, burgers en buitenlui ingehamerd moet worden dat vorsten en hovelingen, om op J. B. Charles te variëren, ook maar kinderen van geperverteerde ezeldrijvers zijn.

Als volgt daagt Hendrik IV zijn zoon Henk (Hal) uit, hem aan het mes te rijgen: “Ziehier mijn onbeschermde achterkant. / Voor u allicht geen onvertrouwde stand...”. In 'Hendrik de Vijfden' zingt een Franse prinses het Engelse invasieleger na: “De Schele Vanderlinde liep wat mank / Want zijne prul was wel ne meter lank...”.

Wat Hendrik V zijn Franse tegenstanders toevoegt, hadden Lanoye en Perceval aan hun hele bewerking als ondertitel kunnen meegeven: “Wij moeten het van schone stijl niet hebben!”

Wanneer in '1 Henry VI' Jeanne d'Arc de brandstapel poogt te ontlopen met de onthulling dat ze een kind verwacht, zegt Shakespeare's hertog van York: “Ze heeft met de Dauphin haar spel gespeeld. Ik dacht dat dit haar toevlucht wel zou worden” (vertaling van Willy Courteaux). Lanoye's York vuilbekt: “Er zat een gat in, dus 't lag voor de hand / Dat de Dauphin het rampetampen zou.” Ook de hoge geestelijkheid weet van wanten. Winchester, bisschop en kardinaal, tot koningin Margaretha: “Al droop er honing uit uw doos, madame: / Nog zou ik u niet raken. Met geen tang.”

Nochtans lukt het Lanoye, in de twee slotdelen van 'Ten Oorlog' zich nóg een stijlbreuk te tillen aan Shakespeare. Met name twee (toekomstige) koningen, Edwaar en Risjaar, grossieren daar in een Nederamerikaans scheldidioom dat even plat als beperkt is.

Wie een hunner maar een strobreed in de weg lijkt te leggen, krijgt de volle laag: fokker, sucker, bloddie fokmongool, modderfokking pijnscheut in mijn hol, damned bescheten sodding souteneur - of, wanneer een vrouw hun voor de poten loopt: cow, teef dan wel opgetuigde equivalenten als bescheten blasted bloddie buggered bitch. Shakespeare beschikte over subtieler middelen om tegen ongebreidelde heerszucht en machtswellust te waarschuwen.

In Shakespeare's acht historiestukken - tweehonderd scènes, driehonderd personages - heeft Lanoye, met Perceval, vanzelfsprekend veelvuldig het kapmes gezet. Daar is op zichzelf niets op tegen. Somerset Maugham had gelijk: literatuur verschaft de verstandige lezer het meeste genoegen wanneer hij de nuttige kunst van het overslaan verstaat. Maar beheersen de bewerkers die kunst ook?

Het antwoord hangt ervan af of je hun kennelijke opvatting deelt dat Shakespeare's histories in hun authentieke vorm ons niets meer te zeggen hebben en zonder bezwaar door een postmoderne gehaktmolen mogen worden gehaald om er het vulsel uit te draaien voor het levensbeschouwelijk equivalent van een Hema-worst.

Genieten Voor wie het daarmee eens is, valt er in de tekst van 'Ten Oorlog' veel te genieten. Niet alleen dankzij de talloze coupures maar vooral vanwege de vaardigheid waarmee de bewerkers de gaten hier en daar met grollen en flauwiteiten van eigen vinding hebben gevuld.

Een paar voorbeelden uit vele. Jan van Gents vermaarde sceptr'd isle-monoloog in 'Richard II' is half verdwenen. Maar daar staat wel mooi tegenover dat ex-koning Richaar Deuzième op zijn aftocht uit Londen niet alleen stof op zijn gewijde hoofd gestrooid krijgt, maar tevens de inhoud van een beddenpan - met een vette knipoog van de bewerkers naar Richaars ingelaste verzuchting, kort tevoren: “Wat ben ik? (...) Paljas of pispaal?”

Falstaff - Shakespeare's beroemdste komische personage, de tegendraadse schelm die met heel zijn dikke lijf de anarchie en het verzet tegen alle fatsoensregels belichaamt - is verbouwd tot een travestiet die een scabreuze parodie op Gezelle uit zijn mouw schudt, prins Henk (Hal) op het toneel de borst geeft en in 'Hendrik de Vijfden' de rol van Shakespeare's commentaar-acteur (het 'koor') overneemt om diens tekst in Lanoyaanse zin te kruiden en geëmmer-op-rijm te debiteren over zijn verstoting door Henk, nu Hendrik V.

Bij zoveel inventiviteit mag het ook de pet niet drukken dat Lanoye om de haverklap aan personages van Shakespeare - inclusief figuren die hij niet geschrapt heeft - tekst ontneemt om ze anderen in de mond te leggen. Zo raakt in 'Margaretha di Napoli' (1 Henry VI) de gelijknamige vorstin, door Shakespeare bedeeld met een lange alleenspraak, flarden van haar tekst kwijt aan belendende edelen, die op hun beurt aan elkaar clauzen moeten afstaan. Maar daarom maalt ongetwijfeld niemand die nog nageniet van de anachronistische anti-allochtonenbak die een hunner, de graaf van Suffolk, in het vorige bedrijf kreeg voorgfeschreven:

“Wanneer is het geoorloofd voor een slaaf / De hertogsdochter in 't gezicht te spuwen? / Wanneer haar ongebleekte snor in brand staat.”

Modderschuit De Vlaamse première van 'Ten Oorlog' werd door Nederlandse recensenten met applaus ontvangen. “Een sidderend-groots moment in de geschiedenis van het onderzoek naar de zwakheid van mannen”, noteerde de een. “Een rijk opgetaste praalwagen, getrokken door een ploeg prachtige acteurs”, schreef een ander.

Waren de acteursprestaties zo bedwelmend? Wie zich moet vergenoegen met de tekstuitgave en daar zo nu en dan het origineel naast legt, komt eerder tot de slotsom dat Shakespeare's histories onder het motto 'agge maar leut hebt' verfomfaaid zijn tot een zestiende-eeuwse vlag - van flink formaat, dat wel - op een laat-twintigste-eeuwse modderschuit.

mailIcon print |