recensie L. Th. Lehmann: Vluchtige steden (en zo). Meulenhoff, Amsterdam; 48 blz. - ¿ 29,90.
Lehmann heeft publicaties in bloemlezingen altijd principieel geweigerd en zijn bundels zijn zelfs antiquarisch nauwelijks meer verkrijgbaar. Daardoor, maar ook door de eigenzinnige, bij niet één trend aansluitende inslag van zijn poëzie, is zijn werk inmiddels in de vergetelheid geraakt.
Ten onrechte. Want hoe jeugdig-virtuoos kwam hij kort voor de oorlog niet binnen met regels als: 'Al kan ik mij soms zwaar bezinnen, / het avontuur van vuur en dood, o / ik ken het best, daar raast het binnen / op een vuurrode brandweerauto'. Zijn nonchalante brille, speelsheid en nonconformisme maakten indertijd grote indruk. Vestdijk sprak van een 'literair wonderkind'.
In de jaren '40-'41 publiceerde Lehmann drie bundels, waaronder een met de fraaie titel 'Schrijlings op de horizon'. Daarna stokte de productie. In 1948 verscheen nog een bundel in de trant van zijn jeugdwerk, pas in 1955 gevolgd door 'Het echolood' waarin de traditionele versvorm heeft plaatsgemaakt voor het vers libre. In de jaren zestig verschenen nog drie bundels en vervolgens brak als gezegd het grote zwijgen aan.
En nu is er van de inmiddels 76-jarige Lehmann opeens een nieuwe bundel 'Vluchtige steden (en zo)' verschenen. Het is een merkwaardige sensatie de uit zijn as herrezen dichter in nieuwe verzen (merendeels sonnetten) aan het werk te zien. De sonnetvorm herinnert aan zijn jeugdwerk, de prozaïsche praattoon aan zijn latere bundels. De grondhouding daarentegen is die van zijn hele oeuvre: geestig, kritisch en erudiet, vaak wat bezig en toch beschaafd, illusieloos maar met stijl.
In de eerste helft van de bundel haalt Lehmann fel uit naar de bouwkundige onttakeling van steden als Amsterdam, Rotterdam en Barcelona. Door 'bouwersfurie' en 'slooptuig' zijn ze verworden tot steenwoestijnen vol 'woekerhoogbouw' en 'glazen builenpest'. Het beruchte bombardement van Rotterdam wordt met een mengeling van cynisme en ironie gekenschetst als: 'dat vroege startschot voor een vrolijk slopen'. Zo lag de sloop van het voormalige station Delftse Poort in die stad 'meer op 't planners- dan op 't oorlogspad'.
Woede en weemoed om het verloren jeugddecor strijden vaak om de voorrang. Lehmann is op z'n best wanneer hij enigszins van zijn onderwerp afdwaalt en onverwacht op een ontroerend of bizar detail stuit. In het sextet van 'Utrecht' bijvoorbeeld:
Rondom de Dom is inzicht nog te keur, in hoeken treft de oude vorm en kleur. En van een halfwrak pand, misschien gekraakt hangt een touw uit de dakgoot, tot het raakt de handgeschreven boodschap naast de deur: Dit is Pien's bel, Johan heeft hem gemaakt;
Niet steeds staat de stad centraal. 'Man Ray-tentoonstelling in Rotterdam' is bijvoorbeeld een prachtig gedicht over de eigen kwetsbaarheid. In 'Gravesiad in New Orleans' (geschreven in het Engels) gaat het minder om de genoemde stad dan om de tegenhanger van Robert Graves' muzische concept van The White Goddess: 'the great Black Goddess Jazz'.
De tweede helft van de bundel (de afdeling van '(En zo)' bevat mengelmerk, zoals een gedicht 'Apologie voor de televisie'(!), een ironisch maar scherp antireligieus gedicht dat begint met 'Pauspauze, please' en een 'In memoriam Melina Mercouri'. Gezag, zeker ook militair gezag (zich hullend achter 'enge tonton macoute zonnebrillen'), wordt in deze poëzie steeds met wantrouwen bejegend. Een bezoek aan een Amerikaanse onderzeeër mondt dan ook uit in een tirade tegen de 'held': 'te bot voor angst, verlekkerd op geweld'. Het is een visie die we ook uit zijn vroegere werk al wel kennen.
Mooi en ook al uit eerder werk bekend is het Roald Dahl-achtige venijn waarmee Lehmann de kinderwereld, tegen veel pedagogische prietpraat in, de plaats geeft die haar toekomt. Neem het volgende sonnet, dat de zoetgevooisde visie van volwassenen op het kind met jazzy swing hekelt en ontmythologiseert:
Die Kinderszenen. Enfantines! Al hun componisten waren de verkeerde schreven voor ouders en gecontroleerde kind'ren, het ideaal dat tonen zal
hoe goed men 't zacht robotje programmeerde, speelgoed, mars, zieke poppen, kinderbal; denkend in pianissimo vooral, om 't niet te horen wanneer het studeerde.
Neen, luide marsen, later big band swing, was het wat eens een kinderziel beving, sindsdien werd 't menige nieuwe vorm van pop.
Zo luid als muren koper vroeger waren, zijn nu versterkte orgels en gitaren, en 't slagwerk bleef, bedoeld voor d'ouderkop.'
Geen voer voor Schumann-liefhebbers, maar wel een dwars, geestig en toch ook kwetsbaar gedicht dat de jeugd met meer respect en waarachtigheid tegemoet treedt dan menige brave opvoeder van een 'zacht robotje' vermag op te brengen.
'Vluchtige steden (en zo)' is niet Lehmanns beste maar wel zijn meest welkome bundel. De dichter is er nu tenminste weer. Jarenlang wilde hij niets meer van de poëzie weten. Dat hij nu toch tot de publicatie van een nieuwe bundel is overgegaan beschouw ik als een klein en vooral aangenaam wonder, want hij is een dichter naar mijn hart. En nu maar hopen dat zijn nieuwe uitgever hem ook nog weet te bewegen tot de uitgave van zijn 'Verzamelde gedichten' iets wat Lehmann naar ik meen altijd bewust heeft tegengehouden. Zijn oudere werk is nog even puntig en prikkelend als voorheen en het huidige, ontzuilde klimaat is voor een Einzelgünger als Lehmann ongetwijfeld gunstig.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.