*

 

Snakken 'naar geluk, gelul, gelal van jongens in de straat'.

PETER DE BOER − 05/09/97, 00:00

recensie 'Het kind is moeder van de vrouw', aldus Lut de Block in haar nieuwe, derde dichtbundel 'Entre deux mers'. Dat kan Wordsworth, die het kind ooit als 'father of the man' liet debuteren, in zijn zak steken. Alles in deze bundel draait dan ook om een moeder van een inmiddels volwassen dochter en haar moeizame relatie tot de wereld. Als moeder is haar rol inmiddels tot bijrol gereduceerd en als minnares lijkt zij, hoewel sommige passages onstuimig aan Eros offeren, op z'n best in een soort haat-liefde-verhouding(en) te zijn vastgelopen.

Rond dit feminiene midlife-tableau pakken zich voortdurend poëtische donderkoppen samen die zich ontladen in passages als 'hartstocht gaat laaien', 'vlammen likken' en 'huilen met de wolven in het bos'. De toon van deze clichématige pathos wordt in het eerste gedicht meteen al gezet wanneer we ons geplaatst zien 'midden in de draaikolk van het leven'.

Die dochter ('Ik ruik dat ze volwassen is,/ dat ze een geur van hoger honing na wil jagen') houdt de gemoederen met name in de afdeling 'Vruchtgebruik' danig bezig. Haar ontluikende harstocht doet haar als een onrustig paardje 'rukken aan de haverzak / van de liefde' en snakken 'naar gemis, geluk, gelul, gelal van jongens in de straat'. Dit alles mondt uit in gemijmer omtrent 'de gloed' van dochterliefs nageslacht, 'de nagloed van haar geslacht'.

De afdeling 'Klein bestiarium' maakt met haar opgelegd vrouwelijk-erotiserende beeldspraak wel iets goed, al wordt het contrast met het mannelijke element weer veel te zwaar, om niet te zeggen anabool aangezet. Wat curieus trouwens dat in D'haen, het dichten zelf in zo'n mannelijk beeld beklijft: 'Dat ik dan stotend inkt ejaculeer'.

Nee, deze zeer ongelijke, wel doorleefde maar niet erg doordachte en doordichte bundel is geen aanrader.

mailIcon print |