recensie Op zijn sterfbed moet een ongelovige verzekeringsagent tegen zijn wil de bijstand van een geestelijke ondergaan die door zijn familie te hulp is geroepen in de hoop dat de stervende oog in oog met de dood het licht van het geloof zal zien. Door de lange duur van het gesprek raken de wachtenden steeds hoopvoller gestemd. Ten slotte gaat de deur van de ziekenkamer open. De ongelovige is niet bekeerd, maar de geestelijke vertrekt met een nieuwe verzekering op zak.
Met deze geestige omkering maakt Freud duidelijk hoe de techniek van de psychoanalytische behandeling in zijn ogen behoorde te zijn. De patiënt kwam voor hulp en zo moest het ook blijven. In het geval dat een patiënte verliefd werd op haar analyticus, moest die verliefdheid worden beschouwd als een herhaling van vroegkinderlijke ervaringen. De hartstocht van de patiënte voor haar analyticus was geen echte liefde, maar het gevolg van overdracht. Wanneer de analyticus zou ingaan op de smeekbeden van zijn patiënte, zou zij misschien wel haar doel hebben bereikt, maar hij zou het zijne (genezing) nooit meer bereiken, waarschuwde Freud.
Stel dat een hulpverlener in de behandeling toch zijn eigen liefdesbehoeften bevredigt, wat moeten we dan? Moord en brand schreeuwen en onmiddellijk de Inspectie voor de Geestelijke Volksgezondheid bellen?
Voor een genuanceerder oordeel over liefde en seks in de therapie kun je beter een duik in de geschiedenis nemen, zoals Susan Baur doet in 'Het intieme uur'. Daarin ontrafelt deze Amerikaanse klinisch psychologe nuchter en met kennis van de historische en recente literatuur wat er precies gebeurt in de therapeutische relatie wanneer de hulpverlener één van de twee belangrijkste grondregels die artsen kennen uit de eed van Hippocrates, met voeten treedt: seks met de patiënt is ten strengste verboden.
Al in de jaren tachtig van de negentiende eeuw, toen de Zwitserse psychiater Eugen Bleuler de verrassende ontdekking deed dat zelfs de ziekste patiënt soms nieuwe kracht kon putten uit een persoonlijke relatie met de arts, werd aangenomen dat de een of andere vorm van genegenheid, gepaard met wederzijds respect, van wezenlijk belang was voor elke serieuze psychotherapie.
In haar boek legt Susan Baur een aantal relaties onder het microscoop, zoals Otto Rank en Anaïs Nin, Julius Spier en Etty Hillesum, Fritz Perls en Marty Fromm. Als regel begint de liefde wederzijds zoals in het geval van de Russische Sabina Spielrein die in de Burghölzkliniek in Zürich terechtkwam wegens een aanval van hysterie. Haar dokter was Carl Gustav Jung. Ze werd zich zijn genegenheid voor haar spoedig bewust. “Ik zag bijna al te goed wat ik voor hem betekende”, schreef de 25-jarige Spielrein na een middag met Jung te hebben doorgebracht, waarbij ze spraken over seks, de dood, de geschiedenis en schizofrenie.
Hoewel intieme en seksuele relaties in de hulpverlening heftige afwijzing oproepen, betoogt Baur dat wederzijds uiting van gevoel in de therapie moet kunnen. Aangezien vooral mannelijke therapeuten in de fout gaan, verwacht zij dat dit in de toekomst minder zal voorkomen door een groeiend aantal vrouwelijke therapeuten en feminisering van de therapie. De oplossing ziet zij in het bespreekbaar maken van wederzijdse gevoelens tijdens supervisie en niet zozeer door verbetering van de regelgeving en controle. Dat leidt slechts tot verlies van spontaan menselijk contact en een toename van houterigheid en klinische afstandelijkheid.
Een enkele keer wordt haar toon prekerig, wat misschien te maken heeft met het grote aantal predikanten en geestelijken in dit boek. In 'Het intieme uur' vind je een antwoord op de prangende vraag: Mag een geestelijke een cliënt omhelzen? Freud vond natuurlijk van niet. De verliefdheid van de Zwitserse predikant en psychoanalyticus Oskar Pfister op een patiënte maakte de grote meester in Wenen ongerust. Zulke onbeheerste passie zou de reputatie van het vak schaden.
Maar moet de therapeut bij wijze van techniek of uit voorzorg al zijn gevoel dan maar onder het ijs stoppen? Iets dergelijks moet de Britse geestelijke Harry Guntrip zijn overkomen die achtereenvolgens bij Fairbairn en Winnicott in analyse is geweest. Nauwkeurig schreef hij alles op. Toen hij net gestopt was bij W. R. D. Fairbairn, een toonbeeld van gereserveerdheid, schreef Guntrip:
“Toen ik ten slotte na de laatste sessie bij Fairbairn wegging, realiseerde ik me plotseling dat we elkaar in al die tijd geen enkele keer een hand hadden gegeven, en hij liet me weggaan zonder dat vriendschappelijke gebaar. Ik stak mijn hand uit, die hij meteen aannam, en ineens zag ik een traan over zijn wangen. Ik zag het warme hart van deze man.”
Nu pas, wat erg!
Bij de kinderarts en psychoanalyticus Donald Winnicott (1896-1971) voelde Guntrip zich meer op zijn gemak. Pas na het overlijden van Winnicott kwam voor Guntrip de grote doorbraak, toen het geheugenverlies voor een vroegkinderlijk trauma door een hele rij dromen eindelijk opklaarde. Je kunt er een late roeping in zien, maar ook een voorbeeld van een hervonden herinnering.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.