*

 

Amputatie van het interpreterend brein

PETER DE BOER − 15/07/00, 00:00

recensie De tweede bundel van Erik Lindner, 'Tong en trede', bevat veel directe verwijzingen naar de taal. 'Je moet koud zijn / om iets te tonen / in taal', staat er in één van de gedichten, waarin de dichter tevens wordt opgevoerd als 'de man en zijn papieren / temperament'. Elders is sprake van 'geheimtaal' en 'de schil van een hard accent', en kenmerkend is ook een slotregel als: "Ik ben van niemand en van taal."

Erg uitnodigend klinkt dit alles niet. De gedichten nemen inderdaad vaak de vorm aan van vriesdroog genoteerde, opsommende beschrijvingen waarin de samenhang ver te zoeken is. Het onpersoonlijke, 'papieren temperament' heeft het hier voor het zeggen en maakt van het gedicht een bij uitstek op zichzelf gefixeerd en gekunsteld taalding.

Ook de flaptekst schuift de taal zelf prominent naar voren. "De beelden en plaatsen in deze bundel zijn puur opgetrokken uit taal", heet het. Wie zal het tegenspreken? Toch is dit niet zo'n dooddoener als het lijkt, want wie een beetje thuis is in het poëticale jargon herkent het in deze woorden verborgen signaal onmiddellijk. Hier wordt een lans gebroken voor de 'talige', minder naar de werkelijkheid dan naar zichzelf verwijzende, 'autonome' dichtkunst. Weliswaar is Lindners poëzie niet zo hermetisch als die van bijvoorbeeld de berucht moeilijke F. van Dixhoorn, maar een semi-autonomist mag je hem toch wel noemen. Hij offert zowel aan de werkelijkheid als aan de navel van de taal.

Ik ben door de bank genomen geen liefhebber van autonome poëzie, die de taal vaak zo letterlijk neemt en dit verwart met poëtische nauwgezetheid. Toch vind ik Lindner als grensgeval interessant. Tonnus Oosterhoff heeft in het artikel 'Arm interpreterend brein' in deze krant eens uiteengezet dat de 'gewone', met de wereld buiten de tekst verbonden dichtkunst een interpreterende, begrijpende leeswijze veronderstelt. De autonome daarentegen vereist een 'onbegrijpende manier van lezen', daar interpreteren hier slecht tot 'totale verwarring' leidt. De eerste leeswijze, aldus Oosterhoff, verschaft inzicht in de wereld, de tweede leert ons 'structuur [te] ervaren'. Nu lijkt 'structuur ervaren' me een nogal schamele beloning voor het lezen van een onbegrijpelijk gedicht, maar dit terzijde.

Lindner nu lijkt een beroep te doen op zowel begrip als onbegrip, op werkelijkheidsbeleving én op het opheffen daarvan in de taal. Die krachttoer maakt zeker driekwart van zijn gedichten saai en onleesbaar.

Illustratief voor zijn observerende, enumeratieve werkwijze is het gedicht dat begint met: 'Kijk naar het bloed in die bak met lamslever'. Van de Turkse slagerij wendt zijn cameraoog zich naar een 'televisiescherm dat dobbert in de gracht', dan naar 'twee mensen die een gesprek voeren', vervolgens naar een ijsjesverkoper die een shaggie draait, om ten slotte weer uit te komen bij: 'Kijk toe hoe het bloed/ van het vlees voelt'. Wat wil dit gedicht eigenlijk van ons? Dat we uit deze ordeloze scènes begrijpen dat de werkelijkheid gefragmenteerd is? Of dat we louter talig meedeinen op de cyclische structuur van het bloederige begin- en eindpunt? Geen idee. En trouwens: aan beide lezingen valt weinig plezier te beleven.

Er is meer in deze bundel, dat mij ergert: de opzichtigheid waarmee de observaties worden ingeleid bijvoorbeeld ('Hier is', 'Hier stond', 'Dit is'). Anderzijds staan er ook enkele intrigerende, minder opgelegd 'talige' gedichten in de bundel. Mooi is het volgende 'Au repos', geschreven in Lindners droge, opsommende stijl, dat dankzij de gebondenheid aan het gelijknamige schilderij van Balthus een beklemmende samenhang vertoont:

'Hier is de deur, daar staat een kruk

Het licht houdt op bij het raam.

De kleur van de vloer vloeit uit.

Het naakt lijkt iets mee te delen.

Het kan niet alleen zijn wat het is.

Er komt dadelijk een keerpunt in

de verlamming die Balthus bracht.

De lingeriereclames van de haltes

en wij op de achterbank van bus vijf,

omringd door het jodoform van Bronovo. Nu

zit ze voor lijk in een fauteuil,

gevlekt waar haar ondergoed was,

in een wit overhemd dat als een doek

om haar schouders valt – en wat haar

rechterborst kon zijn deels bedekt. Een been

raakt net de vloer, het ander ligt onder

de dij, een hand omklemt de leuning,

de ander valt eroverheen. De rug

van de fauteuil boven haar

weggedraaid gezicht.'

Een uitstekend gedicht, statisch en tegelijk vol emotie. Het aardige is dat het, om nog even terug te komen op Oosterhoff, zelf nadrukkelijk zoekt naar een interpretatie. 'Het naakt lijkt iets mee te delen' immers en er lijkt een 'keerpunt' op komst in de beklemmende 'verlamming' (stilstand) op het schilderij. Dat keerpunt komt ook, in de vorm van een onverwacht ingemonteerde scène van een busrit. Deze ingreep van buiten zorgt wel voor beweging, maar laat het schilderij zelf onberoerd. Via het meest gewaagde en mooiste enjambement uit de bundel ('Nu // zit ze voor lijk...') keren we terug naar het voor lijk zittende naakt, dat nu nog beklemmender en minutieuzer in haar als verlamde onbeweeglijkheid en onbegrijpelijkheid wordt beschreven. Haar verstilde beeld roept een gemoedsbeweging op die zelf ook weer een vorm van (geestelijke) verlamming is. Heel overtuigend, en met het raadsel van dit naakt (wat deelt het mee?) valt ditmaal goed te leven. Zo, zónder amputatie van ons 'arm interpreterend brein', dient de poëzie het raadsel te verbeelden en in stand te houden, dacht ik. Helaas is Lindner daartoe slechts incidenteel in staat.

mailIcon print |