recensie AMSTERDAM - Verplegers die hun patiënten doden, gaan niet berekenend te werk. Vaak handelen zij eerder amateuristisch, zodat hun kans op 'succes' niet honderd procent is. De kans op ontdekking is echter nog vele malen kleiner: in die gevallen waarin de verpleegkundigen die het leven van hun patiënten hadden beëindigd tegen de lamp liepen kwam dat volgens de Duitse psycholoog H. Maisch door het toeval.
Maandag begint het hoger beroep tegen de Haagse verplegers André du M. en John H. Du M. werd in april wegens moord op vijf ouderen tot levenslang veroordeeld; John H. kreeg acht jaar wegens moord op een hoogbejaarde met wie hij enkele maanden eerder was getrouwd. Vooral de zaak tegen Du M. is ingewikkeld: het is moeilijk te zeggen hoeveel ouderen hij heeft gedood en waarom hij een aantal van zijn patiënten injecties heeft gegeven. Het hof verhoort maandag vijf huisartsen, zijn voormalig directeur en een verpleegster over de omstandigheden die mogelijk tot zijn eigenmachtige optreden hebben geleid.
In zijn boek Patiëntentötungen. Dem Sterben Nachgeholfen gaat de psycholoog Herbert Maisch uitvoerig na waarom verpleegkundigen en ziekenverzorgenden hun patiënten hebben gedood. Behalve een analyse van twaalf rechtszaken die in Duitsland, Oostenrijk, Nederland en Amerika hebben gediend, beschrijft hij ook de resultaten van Australisch en Amerikaans onderzoek naar levensbeëindigend handelen door verpleegkundigen die niet voor de rechtbank hebben gestaan. Zo zeiden 62 van de 827 verpleegkundigen in een anonieme enquête in de Verenigde Staten dat zij, zonder medeweten van de arts, het leven van hun patiënt hadden beëindigd. In vergelijkbare enquêtes in Australië zeiden 16 respectievelijk 32 verpleegkundigen hetzelfde. Maisch erkent dat deze aantallen absoluut gezien klein zijn, maar tegelijkerheid vindt hij ze groot genoeg om de conclusie te durven trekken dat het doden van patiënten “in niet onbetekende mate” voorkomt. De verhalen van de twaalf veroordeelde verpleegkundigen en die van de duizenden anoniem geënquêteerden vertonen volgens Maisch zoveel overeenkomsten dat deze conclusie gerechtvaardigd is. Allen reppen immers over onmacht, over in de steek gelaten worden door artsen, over teveel verantwoordelijkheden en over het eindeloos 'doorbehandelen' van hoogbejaarden.
Seriemoorden door verpleegkundigen vormen volgens Maisch “een nieuw fenomeen” in de hedendaagse criminaliteit. Het bijzondere van deze seriemoorden is dat de plaats waar het misdrijf wordt gepleegd, dezelfde is als waar de dader werkt. Ook is dit een plek waar niemand een dergelijk misdrijf verwacht en waar het 'wapen' (meestal medicijnen, zoals morfine of insuline) onopgemerkt blijft, omdat de daders beroepmatig dit wapen vaak gebruiken. Omdat de eventuele sporen bovendien snel en onzichtbaar verdwijnen in het lichaam, worden de daders soms pas jaren na hun eerste moord betrapt. “Een Noorse verpleger, die wegens 22 moorden is veroordeeld, werd pas gepakt toen één van zijn slachtoffers nog net zijn naam had kunnen fluisteren”, weet Maisch.
Toch hadden collega's, artsen en leidinggevenden volgens Maisch in veel gevallen eerder alarm kunnen en moeten slaan. Een Duitse verpleegkundige werd bijvoorbeeld al regelmatig aangesproken met 'engel des doods', een Weense verpleegkundige met 'heks' en een Amerikaanse met 'doodskus'. “Niemand greep echter in omdat de - eventuele - dader goed bekendstond en de angst voor een schandaal groot was. Bovendien waren de chefs en artsen bang dat hun eigen carrière zou worden geschaad”, aldus Maisch.
De psycholoog besteedt veel aandacht aan de persoonlijkheid en motieven van de daders. Hij noemt het opvallend dat alle twaalf daders ervaren, deskundige en hardwerkende verplegers waren. Geen van deze verplegers had een psychiatrische stoornis, of was afkomstig uit een zwak milieu. Stuk voor stuk hielden deze verpleegkundigen vol dat zij op het moment zelf het gevoel hadden “niets verkeerds te doen” en eigenlijk, zegt Maisch, vinden zij dat nog steeds. “Alleen verpleegkundigen die in overeenstemming met hun geweten handelen, kunnen zo'n 'moordspiraal' begaan. De onderzochte verpleegkundigen lieten hun ethische normen boven de regels prevaleren.”
Maisch gelooft niet in de motieven die de officieren van justitie en rechters vaak in deze rechtszaken noemen. De twaalf verpleegkundigen waren volgens Maisch niet uit op geld, noch op het pakken van “lastige patiënten”. Ook een hang naar macht, het 'als heer en meester' willen beschikken over leven en dood, vindt Maisch geen plausibele drijfveer. “Voor wie wilden deze verplegers die macht dan demonstreren? Hun daden blijven meestal jaren onopgemerkt, dus volgelingen of bewonderaars kunnen ze niet krijgen. Bovendien heeft doden ter bevrediging van een individuele machtsbehoefte meestal een pathologische oorzaak, maar juist daarvan was bij deze verplegers geen sprake.”
Maar ook het motief 'medelijden', dat alle daders en hun advocaten graag benadrukken, vindt Maisch een te magere verklaring. Alleen al het feit dat tientallen slachtoffers binnen enkele dagen na hun opname zijn gedood, maakt dit mededogen-motief ongeloofwaardig. “Vaak was de band tussen de verpleger en patiënt helemaal niet hecht. Het is gevaarlijk als we ons op het medelijden-motief fixeren. Al deze moorden komen voort uit een ingewikkeld samenspel van factoren, dáár moeten we naar kijken.”
Voor beter zicht op die factoren moeten we volgens Maisch stilstaan bij wat zich rond het bed van zieke ouderen afspeelt. Artsen komen meestal maar even, patiënten en familieleden worden slecht begeleid, verpleegkundigen moeten veel meer doen dan ze mogen en het overleg tussen artsen en verplegers is vaak slecht. Drie van de verpleegkundigen die Maisch onderzocht raakten steeds meer overbelast, zonder dat hun leidinggevenden dit signaleerden. Michaela Roeder bijvoorbeeld (veroordeeld tot elf jaar wegens vijf keer doodslag), werd steeds geslotener, agressiever, haastiger en minder geconcentreerd. Dezelfde betrouwbare Roeder die de steun en toeverlaat was van haar chef, kreeg lichamelijke klachten en kon niet meer tegen kritiek. “Roeder was uitgeblust en had daarom geen afweermechanismen meer. De toestand van patiënten bekeek zij door haar eigen bril, die gekleurd was door haar gevoelens van machteloosheid en depressiviteit. Als iemand had ingezien dat zij burned out was, zou zij niet hebben gedood”, stelt Maisch.
Ook Wolfgang Lange (veroordeeld tot 15 jaar cel) en Reinhard Böse (7 jaar) vertoonden volgens Maisch alle symptomen van burnout. “Beiden waren geëngageerde en gewetensvolle verplegers. Juist in de zorg voor ernstig zieken en stervenden bestaat het gevaar dat zulke betrokken verplegers hun patiënten als hopeloze gevallen gaan beschouwen.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.