recensie Aan inspiratie heeft de dichter Pieter Boskma geen gebrek. Rekenen we zijn onlangs verschenen bundel 'Het zingende doek & De geheime gedichten' mee dan publiceerde hij in de afgelopen vijf jaar 370 pagina's poëzie. Dat doet niet iedereen hem na.
Boskma is iemand die met een zeker verbaal gemak zijn regels gladjes naar de eindstreep dirigeert. Hij heeft gevoel voor ritme, en voor een gelikt beeld van de maan als ,,een koele hostie / op de tongen van de rozen'' draait hij zijn hand niet om. Zelf vindt hij dat zijn poëzie lekker bekt, zo blijkt uit 'Het zingende doek'. Tegenover veel ,,tekstjes verwerkende'' mindere goden, aldus de dichter, ,,bek ik nog altijd de betere tover''. Met Boskma's zelfbesef zit het dus wel goed. Maar is hij inderdaad de met klanken schilderende producent van ,,de betere tover'' die hij zegt te zijn? Wel, dat houdt niet over, hoe nadrukkelijk hij ook bij herhaling ,,het geschilderd zingende'' te berde brengt. Het klinkt meestal wel, maar het betovert niet. Zinnen als: ,,Al te klaardoorschijnend water klatert langs / de graven'' zijn geen uitzondering en sorteren een goedkoop klankeffect. Hetzelfde geldt voor Boskma's hobby om voor de vuist weg te allitereren (,,barbaars balken de zerken en zoden''). Ook is er weinig magie in onmachtige herhalingen als: ,,Het is volbracht, het is volbracht...'' Wat er al niet uit een mond vol tover tevoorschijn kan komen. ,,Er schuilt een oude lente van voiles en bloesem / in het snelle ademen van je doorschijnende borst'', schrijft de dichter, die in deze bundel frequent op de knieën gaat voor het zogeheten Meisje. Is dit een postmoderne flirt met kitsch en cliché? Elders penseelt Boskma het Meisje met ,,deinende melkbleke borst'' en weer ergens anders gewoon als ,,liggend naakt'', ,,een toefje schaamhaar zichtbaar''. Deze ademende, deinende en sidderende tover wordt schijnbaar zonder een korreltje ironie geserveerd. Ik geloof warempel dat Boskma een sleets beeld als het ,,droefdonker oog'' gewoon mooi vindt. Met deze kriskras uit hun context gelichte korte citaten doe ik Boskma natuurlijk geen recht. Ik geef onmiddellijk toe dat er her en der mooie en bevlogen passages in de bundel staan. Toch beklijven zijn gedichten vrijwel nooit. Er zit in hun gepassioneerde b
eweeglijkheid iets geposeerds dat bij mij de aandacht en interesse telkens doet verslappen. Boskma drijft te veel op zijn zelfgeroemde verbale talent en legt daarbij de lat niet altijd even hoog. Het opzichtig aanleunen tegen Gorter komt Boksma's poëzie evenmin ten goede. Dat hij diep door de jonge Gorter, die van de Mei en de sensitieve verzen, is heengegaan, blijkt al direct uit de openingsregels:
Die dag was de hemel een doek
vol wolkenschildering
en zonnelichtgezing.
Verderop in de bundel klinken eveneens enkele Gorteriaanse echo's door. Hier ,,zingt // de hele hele wereld van / het wezen van het licht'', en daar nemen we ,,lichte zuchtjes lichternis'' waar. Juist deze een- en andermaal geëtaleerde voorliefde voor Gorter herinnert je er pijnlijk duidelijk aan dat Boskma niet alleen aan Gorter niet tippen kan, wat op zich geen schande is, maar bovendien een heel ander, ouderwetser en beperkter soort dichter is. Gorter trachtte in zijn sensitieve verzen de draaikolk van het moment, de werveling van vormen, kleuren en klanken, in haar volle zintuiglijke en emotionele glorie vast te leggen. Een krankzinnig experiment dat hem dan ook halfgek maakte, maar dat prachtige poëzie heeft opgeleverd. Bij Boskma is van een dergelijk experiment geen sprake, al doet hij nog zo zijn best om het tegendeel te suggereren. Hij verwart hartstocht, pathetiek en een modern opgetuigd impressionisme met sensitivisme. Gorter bedreef een soort tijdloze taalmagie. Boskma daarentegen zingt deuntjes uit de oude doos. Is hij nou zo naïef of heeft hij echt niet in de gaten dat zijn opvatting van de liefde, belichaamd door het almaar opduikende 'Meisje', teruggaat op een inmiddels totaal gemummificeerd romantisch concept? Moeten we zijn: ,,Nu blijft geen man nog trouw aan thuis'' serieus nemen? Ziehier een van de vele portretjes van zijn belle dame sans merci:
Haar borsten onheilspellend bloot lijkt Zij het boegbeeld van de dood.
Rondom Haar kolkt een zwarte brand
en al wat leeft en kijkt, herkent zijn doem
met de verscheurende ziel van Edvard Munch.
Dit wrede heksje voegt, met uitzondering van die verwijzing naar Munch uiteraard, niets wezenlijks toe aan het romantische cliché van de fatale vrouw. De taal is weliswaar van deze tijd, en de erotische passages zijn op modern openhartige leest geschoeid, maar de wijze waarop dit ,,poedelnaakt en bloedmooi zomermeisje'' in de bundel als personificatie van de liefde mag fungeren, is ronduit belegen. Jammer, want aan aardige fragmenten ontbreekt het zoals gezegd in deze bundel niet. Met name in de titelafdeling staan beslist ook mooie dingen. De volgende regels bijvoorbeeld zijn door hun paradoxale beweging bepaald niet verkeerd:
Als een tel geleden door Frans Hals
voltooid, komt er vaart in je gezicht.
Je staat al op het punt van een gedicht.
Je wordt een ster die rijzend binnenvalt.
En zo is er wel meer dat de moeite waard is. Maar bij die passages steekt de geposeerde en gezwollen indruk van het geheel alleen maar des te duidelijker af.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.