*

 

Barth en de bliksemflits van Boven

Jan Greven − 04/01/00, 00:00

recensie Zal Karl Barth, volgens mij de belangrijkste protestantse theoloog van de zo juist afgesloten eeuw, ook in 21ste eeuw nog mensen inspireren? Of zal het proces dat nu al aan de gang is -'alleen historisch nog interessant'- onverminderd doorgaan?

Het moet mijn concentratie op die vraag geweest zijn, waardoor ik de titel van het boekje dat A.A. Spijkerboer over deze Zwitserse theoloog schreef (Wat is evangelische theologie? De zwanenzang van Karl Barth) op het eerste gezicht geheel verkeerd interpreteerde.

Concludeert A.A. Spijkerboer, die zich altijd door Barth heeft laten inspireren, aan het eind van de eeuw dat deze inspirator in het stadium van de zwanenzang gekomen is? Ik legde het boekje weg voor de eerste recensie in 2000, als alles toch in het teken staat van balansopmaken.

Had ik voor ik dat deed achterflap en inleiding gelezen, dan had ik direct ingezien dat mijn wegleggen tot dat tijdstip berustte op een misvatting. De 'zwanenzang' slaat op Barths eigen zwanenzang. Dat wil zeggen op de colleges die hij 'in blessuretijd', in de winter van '61-'62, gaf. Hij was toen eigenlijk al met emeritaat, maar er was nog geen opvolger. Zodat hem gevraagd was nog een paar maanden door te gaan.

In 1962 verschenen zijn colleges, waarin hij de grondlijnen van zijn theologie nog eens even helder als inzichtelijk had uiteengezet, als boekje onder de titel 'Was ist evangelische Theologie?'. A.A. Spijkerboer heeft de volgens hem meest relevante passages opnieuw vertaald en waar hij dat nodig vond van uitleg of verbale onderstreping voorzien. Het resultaat is, dat in hoofdzaak Karl Barth zelf aan het woord is, zij het in door Spijkerboer vastgestelde dosering. Je kunt je daarom afvragen of Barth niet tenminste ook als auteur vermeld had moeten worden. Al was het maar om misverstanden bij eerste oogopslag, zoals mij overkwam, te vermijden. Maar dat is bijzaak.

Hoofdzaak is Barths theologie, waarbij meteen bij de eerste colleges opvalt hoe zeker deze van zijn zaak is. Hij zet ook zo ongelofelijk hoog in. Rechtstreeks bij God en zijn woord dat spreekt 'in de geschiedenis van Israel, die de geschiedenis van Jezus Christus tegemoet gaat'. Van een 'historische Jezus' wil hij niets weten, net zo min als van een Christus, van wie je niets meer zou weten dan wat er na pasen over hem geloofd werd. Hij heeft dit soort verstaanshulpen niet nodig. Integendeel, ze leiden maar af van de rechtstreekse wijze waarop God in zijn woord over Jezus Christus spreekt. Barth wil dat goddelijk woord zuiver laten klinken, zonder menselijke bijmengsels.

Maar net als je denkt, dat het allemaal wel erg pretentieus wordt, relativeert hij zichzelf. Want theologie kan Gods woord nooit definitief onder woorden brengen. Wat er staat moet steeds opnieuw ontdekt en uitgelegd worden. Maar dat ontdekken en uitleggen is wel exclusief een theologische aangelegenheid. Hulp van psychologie, taalwetenschap of historische wetenschap heeft de theoloog niet nodig. De theologie moet haar eigen gang gaan vanuit eigen bron en via eigen methode.

Ik weet nog goed waar ik voor het eerst op weerstand tegen deze barthiaanse theologie-opvatting stuitte. Het was in Afrika, waar ik begin jaren zeventig les gaf aan een theologische faculteit.

Mijn toenmalige studenten moesten niets van de barthiaans geinspireerde westerse theologie hebben, die Amerikaanse en Europese docenten hun probeerden bij te brengen. Zij vonden haar beledigend, omdat de eigen, Afrikaanse religie erin van nul en gener waarde verklaard werd. Zij zagen dat als het zoveelste blijk van westers superioriteitsdenken.

Ik moest ze niet alleen gelijk geven, ik moedigde ze ook aan aansluiting te zoeken bij de religie van hun stam en van daaruit theologie te beoefenen. Dat was een allerminst barthiaanse opwekking. Maar ik bevond me toen in heel andere omstandigheden dan waarin Barth zijn afwijzing van 'menselijke inbreng' en 'cultuur' verwoord had.

Bij Barth is het immers allemaal direct na de Eerste Wereldoorlog begonnen. Voor de 'Grote Oorlog' was hun 'cultuur' voor de Europese christenen een vanzelfsprekend onderdeel geweest van hun geloof.

Omgekeerd had het christendom op even vanzelfsprekende manier die cultuur mede gestalte gegeven. De Eerste Wereldoorlog betekende van dat alles het einde. Filosofie, kunst, maar ook theologie moesten opnieuw beginnen. Soms letterlijk stamelend. In de kunst ontstond het dadaïsme. Heidegger was in zijn colleges, inderdaad soms stamelend, op zoek naar nieuwe wegen.

Barth wees de protestantse theologie de weg door in te zetten bij het Woord van God, dat als een bliksem flits loodrecht van Boven insloeg in ons bestaan. Toen, in 1919, prachtig, broodnodig en spectaculair vernieuwend. Tegelijk begrijp ik dat veel en veel later en in cultureel heel andere omstandigheden Afrikaanse studenten aanstoot namen aan een theologie die de waarde van 'cultuur' ontkent.

Voor mij was er op dat moment geen punt terug. 'Afrika' voerde me aan Barth voorbij. Christelijke theologie begint bij Gods openbaring in zijn woord, maar wordt verder gekleurd door cultuur en omstandigheid. En niet in de marge, maar fundamenteel. Barth zou dat zo niet zeggen, zo blijkt helder uit Spijkerboers boek. Maar de oorsprong van zijn theologie ligt al zo ver weg, in zo heel andere tijden en omstandigheden. Dat besef maakte me vatbaar voor de boven omschreven verkeerde associatie tussen zwanenzang en Karl Barth. A.A. Spijkerboer heeft het zo zeker niet bedoeld.

mailIcon print |