*

 

Weemoedige scènes uit een kinderleven

ODILE JANSEN − 18/11/00, 00:00

recensie ,,Nooit kunnen we het vergetene volledig terugwinnen. En dat is misschien goed. De shock van de terugkeer zou zo vernietigend zijn, dat we in hetzelfde ogenblik op zouden houden ons verlangen ernaar te begrijpen', merkte Walter Benjamin op in zijn autobiografische 'Berliner Kindheit um Neunzehnhundert' (1934).

In het teken van dat onmogelijke verlangen het verleden te reanimeren, schreef Hermann Grab (1903, Praag) zijn 'Het stadspark' (1935), een intieme, tere vertelling over de dromerige gymnasiast Renato. Grabs stijl, elegant, met metaforen overladen en bespiegelend verraadt een diepe bewondering voor Proust. Maar daarmee raakt een vergelijking wel aan haar grenzen. Een indrukwekkende literaire exploratie van de relatie tussen herinnering en identiteit zoals Prousts 'A la Recherche du Temps Perdu'is, is 'Het stadspark' niet.

Achter deze roman gaat een veel pretentielozer 'programma' schuil. Grab concentreert zich op de topografie van het geheugen, op de bepalende coördinaten van een jeugd. Kinderkamer, park en klaslokaal zijn de locaties waar Grab zijn 'snapshots' schiet, waarover de matzijden glans van de herinnering ligt. Veel handeling, laat staan ontwikkeling is er niet in 'Het stadspark'.

De typering 'roman' is eigenlijk twijfelachtig voor deze sequentie van scènes uit een kinderleven in de Tsjechische provincie van het grote Habsburgse Rijk, kort voor de val van de Donaumonarchie. Wat de schrijver biedt is een aaneenschakeling van fraaie 'standstills' die de herinnering wakker roepen aan negentiende eeuwse panorama's. Zoals het hele boek nog de sfeer van het fin-de-siècle uitademt.

De moderne tijd staat in Grabs roman buiten voor de deur. Maar het is een betrekkelijke rust waarin de goedburgerlijke klasse die Grab beschrijft, zich kan verheugen. De oorlog die zich afspeelt aan de landsgrenzen dringt door in het gewone leven en zelfs tot in de kinderkamer, met berichten over gevallenen en inzamelingsacties op school. Hier wordt een kindertijd gepresenteerd die 'pre-historie' is geworden. Het aura van weemoedige vrolijkheid dat 'Het stadspark' bezit, heeft zeker daarmee te maken. Een afscheid is op handen. Niet alleen van een tijdperk, maar ook van een jeugd. Grabs hoofdpersonage is nog een kind, maar voor hoe lang?

In 'Het stadspark' worden die niet altijd onverdeeld gelukkige kinderjaren beschreven met de ironische vertedering van de volwassene die zich wapent tegen de 'shock van de terugkeer', zoals Benjamin het typeerde. Hoe anders moet het commentaar geïnterpreteerd worden van de schaatsmeester die als Renato huilt om het in aantocht zijnde nieuwe jaar, opmerkt: ,,Ach ja, die verwende kinderen..., die weten nooit waarom ze moeten huilen'.

Maar de licht spottende blik van de verteller onthult vooral de kloof tussen de kinderlijke, sensibele jongen en zijn omgeving die hij voortdurend misinterpreteert. Geamuseerd kijkt de lezer mee naar de schermutselingen tussen Renato en zijn Engelse gouvernante; scènes op school, kinderfeestjes en vooral zijn wandelingen in het stadspark. De ontmoetingen daar met het meisje Marianne vormen een wekelijks hoogtepunt. 'Het stadpark' ontleent zijn tragi-komische karakter onder meer aan deze hopeloze kinderverliefdheid voor de rijpere leeftijdsgenote die alleen oog heeft voor Renato's schoolkameraad Felix.

Met Klaus Mann, die Grabs roman besprak in zijn emigrantentijdschrift Die Sammlung, zouden we ons af kunnen vragen wat we aan moeten met dit kleine leed. Het antwoord ligt besloten in Grabs stilistische talent en psychologische finesse, die van deze petites histoires door hun eenvoud en naïviteit ontroerende miniaturen maken.

De beperkingen die de auteur ook heeft, treden vooral aan het licht in de gezamenlijk met 'Het stadspark' uitgegeven verhalenbundel, 'Bruiloft in Brooklyn'. Dit zevental verhalen werd voor het eerst in 1957 posthuum gepubliceerd. Het zijn overwegend vertellingen over ballingschap en het opkomend nationaal-socialisme. In de lotgevallen van zijn personages is het niet moeilijk om de levensloop van Grab te herkennen. De auteur vertrok in 1939 naar Parijs, van waaruit hij in 1940 naar Lissabon zou vluchten. Vanuit Portugal kwam Grab terecht in New York waar hij in 1949 stierf.

Compositie en het neerzetten van levensechte personages, zijn in deze verhalen vrijwel zonder uitzondering een zwak punt. Grab legt met name een frustrerende voorkeur aan de dag voor anti-climaxen. Ook de hem eigen gedistantieerde verteltrant werkt in deze verhalen in zijn tegendeel. Bijvoorbeeld in 'Rust op de vlucht', waarin een ouder joods echtpaar wanhopig probeert een visum te bemachtigen voor Amerika. De spanning en de angst waarin ze leven worden beschreven, maar niet tot leven gebracht. Kleurloos en vlak zijn ook de mensen die Grabs verhalen bevolken, zodat zelfs de in en in treurige situatie van de oude meneer en mevrouw Ehrlich je tamelijk onberoerd laat.

Twee positieve uitzonderingen op de regel in 'Bruiloft in Brooklyn' zijn het ultrakorte 'Chaos in het spokenrijk' en 'De kinderjuffrouw'. De fraaie suggestieve stijl waarin deze verhalen geschreven zijn en hun verrassende inhoud, springen er echt uit.

Het talent van Hermann Grab schittert kortom vooral in 'Het stadspark'. Het blijft dan ook de vraag wat een heruitgave van deze bundel rechtvaardigde. De presentatie van Hermann Grab als een 'sensationele literaire herontdekking' door de uitgeverij is op z'n zachtst gezegd wat overtrokken. Hoe spijtig ook, Grab kan niet tippen aan het meesterschap van die andere schrijver uit de voormalige Donaumonarchie, Sándor Márai, die recent aan de literaire vergetelheid ontrukt werd. Maar dat hoeft ook niet. 'Het stadspark' zal zijn lezers ongetwijfeld vinden.

mailIcon print |