recensie 'De oesters van Nam Kee', de vierde roman van Kees van Beijnum, heeft de beproefde vorm van een terugblik op de afgelegde weg. De achttienjarige Berry Kooijman zit in de gevangenis -waarom precies blijft heel lang in het vage- en hij vertelt zelf wat er in het voorafgaande is gebeurd en hoe het zo is gekomen.
Niet alleen Berry's familiale voorgeschiedenis krijgen we te horen, ook zijn omgang met een stel jeugdige criminelen in Amsterdam-West wordt breed uitgemeten. Maar de meeste aandacht besteedt hij aan zijn kortstondige en hevige liefde voor Thera, een negentienjarige nachtclubdanseres. Met haar beleeft hij een paar weken -veel meer zullen het er niet geweest zijn- die voor even de woorden van The Kinks in vervulling doen gaan: ,,I wish my life was a non-stop Hollywood movie show''. Het hoogtepunt is een verblijf in de bruidssuite van het Hilton, nadat het paar door middel van oplichting tweeëntwintig mille rijker is geworden. Hun samenzijn duurt slechts kort, want Thera valt weer terug op haar Ben, een oudere fotograaf, die ook nog wat aan porno doet. Het verlies van Thera drijft Berry tot wanhoop en tot de daarbij behorende daden, wat hem ten slotte achter slot en grendel doet belanden.
Een draak van een geschiedenis, al met al. De levenswijsheden die erin verscholen liggen, komen niet verder dan dat mensen voortdurend rollen spelen en van rol wisselen of dat het onmogelijk is elkaar te kennen, of dat niemand de loop van zijn leven in eigen hand heeft en dat leugen en zelfbedrog de dienst uitmaken. De horoscoop en Allah geven gelijkelijk leiding aan het bestaan. Soms begrijpt Berry iets: ,,Zij was voor altijd voor mij verloren. Ik begreep dat een bepaalde periode in mijn leven afgesloten werd, daar en toen. Voorgoed.'' Op een nieuwe alinea wordt daar dan nog op houterige wijze aan toegevoegd: ,,De onherroepelijkheid hiervan maakte dat ik met iedere pas waarmee ik me van haar verwijderde me een beetje leger van binnen begon te voelen, een leegte die opgevuld werd met pijn die ik niet kende.'' Deze onbeholpen en ongeloofwaardige stijl wordt niet het hele verhaal door gehanteerd, want er is ook een Berry die op de meest onverwachte momenten de straatjeugdtaal van zijn mede-crimineeltjes gebruikt. Dan wemelt het van de fuckers en kutwijven, niet alleen als zijn vrienden aan het woord zijn, maar ook als hij zelf vertelt.
Berry's moeder werkt in de reclassering, nota bene, en heeft maanden lang niet door dat haar zoon een tweede leven leidt en allang niet meer in de eindexamenklas van het Barlaeus-gymnasium zit, maar drinkt, slikt, steelt en neukt, dat laatste met de mooie Thera. Die komt een keer mee naar huis, maar houdt zich goed verborgen. Over zijn moeders beroep weet Berry het volgende te vertellen:
,,Het is een kutberoep wat ze heeft, werkelijk een eersteklas kutberoep, dat kan ik je wel vertellen. Je slooft je als een gek uit voor iemand en als hij dan vrij wordt gelaten of eindelijk die woning gekregen heeft, dan ramt-ie dezelfde avond iemand met een barkruk naar de andere wereld.'' Dat is andere taal, de taal van opgefokte jongens onder elkaar. Nog een voorbeeld, over een pratende nachtclubbezoeker: ,,Mijn tip voor hem was dat hij nu echt zijn eetkamer op slot moest gooien als hij niet aan zijn pik opgetild en de hele zaak door gesleept wilde worden.''
Een aanzienlijk deel van de roman wordt in beslag genomen door dit soort taal. Daar horen ook vergelijkingen bij als de volgende: ,,Ik nam een hap van mijn hamburger, het was net alsof ik op een verschroeide cd kauwde.'' Of over een meisje: ,,met benen zo lang en mooi dat je serieus aan zelfmoord begon te denken''. Of: ,,Hij nam me op zoals een douanier op Schiphol naar een Colombiaan met een houten been kijkt.'' En over iemand die liep ,,met de opgewekte haast van iemand die op weg was naar een gratis lijntje coke of een lynchpartij''. Ziet u het voor u?
Hardboiled taal naast slappe en nogal sentimentele taal. Soms schiet Berry/Van Beijnum in een passage van korte tot zeer korte zinnetjes, die naar een innerlijke monoloog neigen (die zijn trouwens stilistisch en wat aannemelijkheid betreft het dieptepunt van de roman). Een voorbeeld: ,,Ze had me laten vallen. Nu zie ik het allemaal even duidelijk. Bijna twee maanden later. Maar toen zag ik het anders. Ik kon het niet verdragen, was er nog niet aan toe. Het idee dat ze niet meer van me hield, niet meer bij me wilde zijn. Dat moest een reden hebben. Ik had iets verkeerds gedaan. Ik. Niet zij.''
Het is duidelijk dat Van Beijnum een roman heeft willen schrijven over een ontspoorde jongen die zich van zijn milieu en van de daar heersende waarden heeft afgekeerd, en die nu zijn heil zoekt bij al evenzeer ontspoorde jongeren van lagere of allochtone komaf. De liefdesepisode brengt hem in feite nog verder van huis en de plotse afloop daarvan slaat de grond onder zijn voeten weg. Niet goed meer bij zinnen pleegt hij dan de daad, waarvoor hij na een aanvankelijk geslaagde vlucht naar Frankrijk alsnog wordt ingerekend.
De geschiedenis, met nog een aantal verrijkende zijlijnen, is afgezien van de wisselvallige stijl waarin ze verteld wordt, met het oog op behoud van de spanning opgezet. Wat mij betreft wat te nadrukkelijk, zodat je het gevoel krijgt aan het lijntje te worden gehouden. Maar het meeste in deze roman is nu eenmaal nadrukkelijk, en dat geldt ook voor het veelvuldige inlassen van songteksten of het verwijzen naar films. Zelfs wanneer de lezer in het ongewisse wordt gelaten, valt de nadruk op waarmee dat gebeurt.
Een van de laatste alinea's van het boek bestaat uit één zin die is opgedeeld in vijf woorden: ,,Ik. Kijk. Naar. De. Wolken.'' Dat is een verwijzing naar de enige serieuze bezigheid van Berry in de tijd voordat hij Thera ontmoette: hij fotografeerde wolken, en niets dan wolken. Wolken vertegenwoordigen voor hem de ultieme vrijheid en tegelijk de schuldeloosheid. Hij kan zich, vanuit de gevangenis, geheel aan zijn geliefde wolken wijden.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.