*

 

Daar is een man die huilt

door Theo de Boer − 08/01/00, 00:00

recensie 'Het verdriet was hard als de aarde en aanwezig als de zee. Dat moet voldoende zijn.' Het eerste gedicht gaat over een gebeurtenis in een gewone stad: een man die huilt; het tweede gedicht -op de volgende pagina- gaat over het heelal, over donkere sterren en witte dwergen. Hoe openbaren we het openbare? De filosoof Theo de Boer over de Australische dichter Les Murray.

Het gedicht 'een absoluut gewone regenboog' heb ik Les Murray horen voorlezen toen ik voor de eerste keer Poetry International in Rotterdam bezocht in 1977. Hij kwam op mij over als een exuberante dichter met grote retorische precisie. Later heb ik hem nog drie maal teruggezien, in 79, 89 en 98. Eén keer heb ik hem, zoals een echte fan betaamt, gevraagd een handtekening onder een gedicht te zetten.

Murray is in 1938 geboren in Australië. Hij groeide op op het platteland, studeerde in Sydney. Werkte als vertaler aan de Australian National University in Canberra. Hij ziet er uit als een onbezorgde pyknicus, een joviale figuur, slordig gekleed. Niet in dat beeld past dat hij veel last heeft gehad van depressies. Verder weet ik uit zijn biografie dat hij afstamt van puriteinse Schotten, maar later rooms-katholiek is geworden. Latere bundels heben de opdracht 'to the glory of God'.

Het volgende citaat is een soort credo: ,,Ik ga er van uit dat dichters geen rechten hebben, alleen maar plichten, met name die van de dienstbaarheid. [...] Een van mijn diepste overtuigingen is een wantrouwige liefde voor mensen en het besluit over hen altijd te schrijven met compassie en respect.'' Voor ons thema is de volgende uitspraak van belang: ,,Op mijn best schrijf ik een stijl die sommige dingen werkelijk maakt die voor mij belangrijk zijn en in elk geval voor enkele anderen''.

Murray is een man van grote eruditie en een enorme talenkennis. Hij kan ook Nederlands lezen. Hij schreef over de landschappen en steden van Australië, over historische gebeurtenissen en over dieren, maar hij schreef ook wat de Duitsers Gedankenlyrik noemen.

Dit gedicht kun je een beetje vergelijken met het Uur U van Nijhoff. Het beschrijft hoe er paniek ontstaat in een stadje door een heel gewone gebeurtenis. Iedereen wordt gestoord in zijn werk, er ontstaat een oploop, het verkeer raakt in de war enzovoort. Wat is er gebeurd? Er is een man die huilt.

Het gedicht wordt gedragen door een grote emotie, in toom gehouden door een droge verteltrant en een ingehouden humor. Er zitten geen moeilijke gedachten in dit gedicht. Het vertelt alleen maar.

Wat vooral onrust wekt is dat ze die man niet kunnen laten stoppen met dat huilen. Het is alsof er iets heel ergs gebeurt en niemand grijpt in. Het tegendeel is het geval. Zelfs politieagenten, die hem willen inrekenen, blijven staan kijken. Zij verlangen naar tranen als kinderen naar een regenboog. Over dat verlangen gaat het hele gedicht. Naar deze regel verwijst de titel die bij Murray vaak essentieel is. Geen regenboog zonder zon, maar ook niet zonder een regenwolk. Zouden kinderen dat al begrijpen?

In de vierde strofe volgt een beschrijving van wat er later gezegd zal worden. Zij grijpt vooruit op de mythevorming. Net als bij Nijhoff zijn het de kinderen -naast hen die er bij lopen als Paradijsgangers- die de man gezelschap houden (met de duiven en de honden). Alles mag trouwens. Je hoeft niet te huilen om er bij te horen.

De man is eigenlijk de enige volwassene die rustig zichzelf is. Hij huilt gewoon. Hij heeft geen woorden nodig. Hij heeft niets nodig. Alleen ruimte. En als hij uitgehuild is, haast hij zich weg. Bij de gelovigen, de mythevormers en de vertellers van sterke verhalen vandaan.

Het opzienbarend bericht dat zich in het stadscentrum verbreidt, gaat op de keper beschouwd helemaal niet over iets wat verborgen is. De man 'huilt eenvoudig, en verbergt het niet'. Alles is zichtbaar en toch ook niet. De situatie lijkt veel op die waar theologen mee tobben: dat de Openbaring toch niet openbaar is.

Het probleem zit kennelijk in de publieke wereld van verkeer, vertier en verdienen. Daar is het gebeuren een epifanie die nog jaren nawerkt en verwerkt wordt door er allerlei mythen omheen te weven. Een van die verhalen is dat men geschokt was en die man probeerde te stoppen. Het was gecompliceerder. Het gerucht ging dat men hem wilde stoppen maar eenmaal ter plekke gebeurt er iets anders.

Er is bijvoorbeeld een man die meteen 'belachelijk' roept maar tegelijk schrikt van die stomme reactie en walgt van zichzelf. En hoe zit het met de snelsten en de slimsten onder ons, de harde jongens van de Club en de Beurs? Hen overkomt ook iets vreemds. Je zal toch een macho zijn en ineens last krijgen van vredesgedachten. De wereld van geld, gewin en gejacht trilt van stilte. Mensen die zich gelukkig waanden schreeuwen het uit. Een ambigue grootheid -openbaring.

De afgelopen eeuw heeft voorbeelden te zien gegeven waarbij men wist dat het misging maar het comfortabeler vond niets gezien te hebben. Buskes, een outsider, zag meteen wat er aan de hand was in Zuid-Afrika. Beyers Naudé, een insider, had meer tijd nodig maar zag het. Achteraf, bij het onderzoek van de waarheidscommissie, bleek dat het ook aan overheidsdienaren en veiligheidsagenten niet was ontgaan. Het was zichtbaar, maar men wilde het niet zien, zoals Paulus in het eerste hoofdstuk van de Romeinenbrief streng maar rechtvaardig opmerkt.

Wat kun je doen in een dergelijke situatie? Hoe openbaren we het openbare? Van belang is dat de man die huilt eigenlijk niets verkondigt; hij heeft geen boodschap of mission statement. Hij huilt gewoon, ignoreert het publiek, ontsnapt aan de gelovigen en vertrekt. Het verdriet was hard als de aarde en aanwezig als de zee. Dat moet voldoende zijn.

Murray is een dichter die een groot en groots onderwerp aandurft. Het is een fantastisch, visionair gedicht over het heelal. Op het eerste gezicht lijkt het nogal duister. We beginnen er iets van te begrijpen als we ontdekken dat de dichter hier iets doet wat we ook in andere gedichten vinden.

Er is een gedicht over een potvis waarbij we soms niet goed weten of Murray hier een potvis in mensentermen beschrijft of het leven van een mens in termen van een potvis. Hier past hij een dergelijk procédé toe op het universum. Hij is, gezien de opdracht, daartoe geïnspireerd door de astronoom Fred Hoyle en een infraroodtelescoop. Zij hebben dingen 'geopenbaard' die zijn verbeelding in beweging zetten. Het heelal blijkt een spiegel van het mensenleven en omgekeerd.

Het gedicht opent met een evocatie van het heelal. Een schokkend begin voor de gewone kijker, gefascineerd als hij is door de lichtjes aan een donkere hemel. Het gaat eigenlijk over wat we niet zien, over de achterkant van het licht. De eerste regel gaat over sterren die nooit 'vuren'. Vuren, lichtgeven, is alleen mogelijk als er in het binnenste van een ster kernfusie plaats vindt. Sterren branden echter uit. Hebben zij een zeer grote massa, ongeveer dertig maal de zon, dan eindigen ze als 'zwart gat'. De ster stort in tot een 'singulariteit' met een massa zo compact dat alle gebouwen van de wereld verpakt kunnen worden in een luciferdoosje. Een zwart gat is een kuil zonder bodem. Wat er in valt komt er nooit meer uit. Ook licht niet. Massa is er genoeg maar geen straling. Dat zwarte gaten bestaan kunnen we alleen indirect weten uit röntgenstraling die vrijkomt, als er materie op valt uit een ster in de buurt, dus bij een zogenaamde dubbelster. We hebben een satelliet nodig voor het meten daarvan.

De term 'bruine dwergen' uit de tweede regel wordt in de astronomie gebruikt voor kleine sterren, vergelijkbaar met een zware planeet, die nooit gevuurd hebben. Zij stralen wel warmte uit. Ik denk dat de dichter hier de term gebruikt als metafoor van alle massa's in het heelal die geen licht (meer) geven. Dan vallen er dus ook de neutronensterren onder, die ook uit zeer compacte materie bestaan en ontstaan bij het ineenstorten van sterren met een massa acht maal groter dan de zon. Zij zenden radiostralen uit en kunnen dus ook alleen door een telescoop en door redenering gevonden worden. Niet lichtgevend is natuurlijk ook het gruis dat bij de vorming van sterren is achtergebleven waartoe de planeten behoren en verder de interstellaire gaswolken. Verschroeid stof dat als een zandbank of zandvlakte hangt tussen de melkwegen en een saai, traag, bestaan leidt. (Over 'witte dwergen' die in de laatste regel genoemd worden kom ik nog te spreken.)

Dit is ongeveer de kosmologische kennis over de evolutie van sterren, die het gedicht vooronderstelt (en die ik ontleen aan een publicatie van E.J.P van den Heuvel). De eerste strofe eindigt met een dubbele punt. Het vervolg is een nadere uitwerking. De strekking van het gedicht is dat er glorie is voor de groten, de zichtbaren, en daarachter het roemloze kanonnenvoer dat in het duister blijft. Het gaat om wat achter de schermen gebeurt. Op dit moment dringen zich al de regels van Brecht op uit de 'Dreigroschenoper': Und die einen sind im Dunkeln/ Und die andern sind im Licht/ und man siehet nur die im Lichte/ die im Dunkeln sieht man nicht.

De beginregels geven een heel wat dramatischer visie op het heelal dan ptolemeïsche astronomie die eeuwenlang het beeld bepaalde. Nog in Vondels Lucifer van 1654 is de sterrenhemel het vaste gesternte onder het kristallijnen gewelf. Onze dichter uit Australië -een land waar onlangs alle lichten werden uitgedaan om de nachtelijke hemel beter te kunnen zien- bespeurt heel wat anders. Maar hij is dan ook bij de moderne astronomie te rade gegaan en bij de IRAS-telescoop, die vanaf een satelliet seinen opvangt, die de aarde niet bereiken.

Net als in het vorige gedicht is de titel een sleutelterm. De infraroodtelescoop registreert wat zich bevindt buiten de grens van de golflengtes van het zichtbare spectrum. Hij is gevoelig voor iets wat voor het oog verborgen is: warmte. Er worden daarom in de tweede strofe vraagtekens gezet bij onze manier van kijken. Bij nader toezien gaan we iets heel anders opmerken dan eerst; ofwel hetzelfde anders zien. Met het oog en de oog-prothesen ziet de geest alleen de brandende pieken, de vuurstormen die er hevig, heftig en heroïsch uitzien. Zij blazen brokstukken weg en trekken ze 'spiraliserend' aan. Dit is een en al leven. Bij het wegblazen kan men denken aan de implosie van sterren die tevens een explosie is. Bij het instorten in eigen diepte wordt tegelijk een grote hoeveelheid materie, de hele buitenlaag, uitgeworpen.

Dan gaat de dichter in de tweede helft van de strofe zonder enige nadere aankondiging over op de mensenwereld. De mens en het heelal worden samengebracht onder het algemene begrip 'het werkelijke', the real. Het meeste daarvan is dull. In het heelal: gruis en uitgebrand puin, bruine dwergen, zwarte gaten. Op aarde: de duffe troep die in de provotijd het klootjesvolk genoemd werd. Het denkt duister, hangt rond, kletst met de buren en kijkt televisie -ook al een oog-prothese. Maar dat arrogante oordeel wordt meteen gecorrigeerd.

Er volgt opnieuw een abrupte overgang. Het meeste van de werkelijkheid absorbeert het meeste licht 'maar is ook gezin'. Ja, inderdaad de basis van de samenleving. Wat het meeste licht absorbeert, zo leert de fysica, blijft zelf grotendeels in het donker. (Iemand kan als limiet zoveel licht opnemen dat hij 'licht uit licht' genoemd wordt, zoals in het dogma van de drieëenheid. De goddelijkheid is dan onzichtbaar. Als ik tussen haakjes iets aan het christologisch debat mag bijdragen.)

We zien alleen het licht dat weerkaatst. Wat het licht opneemt en in het donker blijft, is het gezin. Maar dat is bepaald geen schimpscheut op een achterlijk instituut, eerder een bewuste anticlimax die terugvoert naar de realiteit áchter de 'sterren'. Het dubbelzinnig gebruik van die term vinden we ook in De nieuwe sterren van Nijhoff die zelfs heeft overwogen zijn gedicht om die reden de Engelse titel The stars te geven. Wie alleen sterren ziet, is verblind door weerkaatsing. Hij ziet het geabsorbeerde licht niet; en voelt de warmte niet.

In de derde strofe lezen we dat het ons wereldbeeld zeer verarmt, zozeer dat het irreëel wordt, als we geen rekening houden met het grijze kanonnenvoer van de sterren, met de zwaartekrachtvelden -zwarte gaten en neutronensterren- waar ze instorten. De term kanonnenvoer verwijst naar het verschijnsel dat sterren zo dicht bij elkaar staan dat de zwaardere de buitenste lagen van de lichtere 'opeten'. In het algemeen trekken sterren brokken materie 'in spiralen' naar zich toe.

De dichter vraagt hier aandacht voor wat in de evolutie van de sterrenwereld onzichtbaar wordt of blijft. Zo gaat het ook bij de biologische evolutie op aarde. Volgens Teilhard de Chardin zien we alleen de voltooide gestalten, de stelen vallen weg. Maar we verkijken ons op de werkelijkheid als we die vergeten. De sterren-kunde (starry science) wordt zonder die ongeziene lichamen tot de astrologiekolom in de avondkranten, een geliefkoosde rubriek van 'sterren'. Wat in het heelal waar is, geldt ook voor de samenleving (en omgekeerd). Er is een onpeilbare massa waar het alledaagse gezegd wordt. Daarboven zijn er de sterren van de publiciteit.

De onbekende lichamen kunnen wel geregistreerd worden maar niet door simpel te kijken. Er is meer nodig en daarin verschilt Murray van de marxist Brecht. De onzichtbaren kunnen alleen geregistreerd worden door totale pijn of duizelende vreugde, hoogten en diepten van ervaring waardoor het hart ineenkrimpt. Smart wordt wel het oog van de geest genoemd. Wie zelf moest vluchten ziet vluchtelingen. In het evangelie wordt opgemerkt dat zoiets ook geldt voor vreugde: er is fluit gespeeld, maar er werd niet gedanst; er is een feestmaal maar men vergeet het feestkleed.

De zichtbare sterren heten in de vierde strofe slaperige tuinsteden die zijn opgepept tot lichtsnelheid. Het bewijs daarvan is het gruis dat ze achterlaten, zoals de voorsteden afvalbergen, en de serious swarms at rest in migrant trajectories. Ik denk dat een dichter in het immigratieland Australië de term 'migrant' niet kan gebruiken zonder aan volksverhuizingen te denken. De grote groepen in rust verwijzen mogelijk naar de aboriginals, naar achtergelaten groepen op het traject van de vooruitgang.

Dan volgt, haast achteloos, de belangrijkste zin van dit gedicht. Brilliance stands accused of all their losses. Schittering staat beschuldigd van al hun verliezen: beschuldigd door de massa in het donker die moet meedraaien in voorgeschreven banen of achterblijft maar ondertussen wel de nodige energie levert. Een complete astronomie, die geen astrologie wil zijn, moet ook die onwaargenomenen in het vizier zien te krijgen, zo besluit de strofe. Dat kan als we het criterium licht vervangen door aanwezigheid en het concluderen tot aanwezigheid (via telescopen en redeneringen).

Het afwezige kan in afwezigheid zijn aantrekkingskracht uitoefenen. De gravitatiekracht die werkt op afstand, maakt voelbaar wat niet zichtbaar is. Er worden drie voorbeelden genoemd: de jaren van gemis tussen liefde en vervulling; de onderdrukte traditie -spiraalvormig door de zuigkracht van een dominante cultuur. Het derde voorbeeld, de warmte, vergt enige toelichting. Het is namelijk niet de brand van de razende pieken die alles in spiralen naar zich toetrekken of in corona's uitstoten. Met een paradoxaal, kouwenaariaans beeld wordt gezegd dat die pieken de witte dwergen uit hun melkwegen hebben 'weggevroren'. Witte dwergen worden de kleine compacte sterren genoemd die resulteren uit het instorten van sterren met een massa minder dan acht maal die van de zon. Ze heten zo omdat ze klein zijn, een zwak licht uitstralen en geleidelijk afkoelen en uitdoven. De warmte die in afwezigheid zich laat voelen is niet de heroïsche hitte die de duffe dwergen in de schaduw stelt.

Is er, terugkomend op het thema van de openbarende taal, zoals in het vorige gedicht sprake van een nieuwe manier van zien? Wordt er iets geopenbaard? Inderdaad de infra-rood telescoop laat zien wat het oog niet ziet. Hij is gevoelig voor warmtestraling. Op een vergelijkbare manier was het 'pentagram van verdriet' rond de huilende man onzichtbaar voor de rekenaars van de Beurs, maar voelbaar voor het hart. Dat is de pascalliaanse kentheorie achter beide gedichten. De man was ook een 'onbekend lichaam' zolang de blik gefixeerd werd door de 'sterren' van Pitt Street. Maar hij werd direct geregistreerd door geesten die verlangen naar tranen zoals kinderen naar een regenboog. Hij was tenslotte 'hard als de aarde, 'aanwezig als de zee'.

Maar wat openbaart die infrarode manier van kijken dan? Is het waar wat ik boven schreef, dat het heelal een spiegel is van de samenleving en omgekeerd? Of is het alleen maar projectie van de dichter? Zegt het gedicht niet meer over de mensenwereld dan over de sterren? Mijn inziens is het wel degelijk onthullend. De sterren zijn altijd gezien als een vast punt van oriëntatie in het heelal. We spreken niet voor niets van het firmament. In het ondermaanse woelt alles om verandering, maar daarboven heerst eeuwige rust. Er is een beroemde uitspraak van Kant waarin hij zegt dat niets ons zo met achting vervult als de aanschouwing van de sterrenwereld boven ons en de zedenwet in ons.

Door de IRAS-telescoop zien we achter die stralende rust een turbulente geschiedenis. Vroeger dacht men dat alleen 'hier beneen' niets bestendigs was. Aan dat idee hebben Fred Hoyle en de zijnen voor goed een einde gemaakt. Welbeschouwd is het boven ons een even grote janboel als beneden, zij het een wonderbaarlijk wetmatige janboel. Dat besef begint nu ook in het publieke bewustzijn door te dringen. Op de dag van de zonsverduistering schreef een hoofdartikel van een dagblad over 'het nucleaire inferno' dat boven ons aan de gang is en waar we even zicht op kregen. We kijken kritischer, met minder vrome verbazing, maar ook met meer betrokkenheid. Dat zich in die onafzienbare ruimte ook een strijd afspeelt tussen lichten en donkeren is eigenlijk een stichtende gedachte. Het raakt me in ieder geval meer dan de kristallijnen koepel van Vondel. Dat in die wereld van tomeloze energieën ons lot beschreven zou staan lijkt wel heel onwaarschijnlijk; ook een opluchting.

mailIcon print |