*

 

Jubilerend Rijksmuseum verdient koninklijk predikaat

Cees Straus − 29/01/00, 00:00

Anders dan in een land als Belgiƫ kennen musea in Nederland niet het predikaat 'koninklijk'. Het enige museum van koninklijke afkomst heet kortweg 'Rijksmuseum'. Maar dat is een naam die meer verwijst naar een nationale afkomst, zoals in Kopenhagen het Statens Museum, de National Galleries in Londen en Washington (DC) en het National Museet in Stockholm.

Binnenkort is er een mooie aanleiding om Nederlands meest nationale museum een koninklijk predikaat te verlenen. Dat daar reden voor is, word je gewaar op een aardige tentoonstelling in het museum waar het allemaal om draait: het Rijks in Amsterdam. Die tentoonstelling geeft een beeld van de ontstaansgeschiedenis die zich helemaal in koninklijke stijl voltrok.

Eind mei is het namelijk 200 jaar geleden dat het Rijksmuseum werd opgericht. In 1800 heette het museum trouwens 'Nationale Konst-Gallerij', die was ondergebracht in het Huis Ten Bosch bij Den Haag. Inderdaad, de huidige woning van de koningin. In Den Haag zou het museum overigens niet lang blijven: op last van de Franse koning Lodewijk Napoleon, broer van keizer Napoleon, werd de koninklijke collectie in 1808 naar het Koninklijk Paleis in Amsterdam overgebracht.

Dat de Nationale Konst-Gallerij kon worden opgericht is een zaak die zowel ondanks als dankzij de Fransen kon plaatshebben. Koning Willem V bezat een verzameling (kunst)historische voorwerpen die hij op zijn vlucht naar Engeland moest achterlaten. De Franse bezetter bracht de collectie vervolgens naar Parijs, waar ze over diverse musea werd verspreid. Het heeft het nodige diplomatieke zweet gekost om de collectie naar Nederland terug te halen, maar rond 1800 was het zover: Den Haag kreeg het grootste deel van de kunst terug.

Er is over de terugkeer van de collectie weinig bekend. De expositie in het jubilerende Rijksmuseum richt de aandacht dan ook op de Amsterdamse periode. Die begint in 1806 als Lodewijk Napoleon zich over de collectie ontfermt en haar een openbaar karakter verleent in het Koninklijk Paleis op de Dam.

Het is een verdienste van de Franse koning dat hij veel moeite deed het niveau van de collectie te verbeteren. Lag het accent aanvankelijk op de historische doeken, op aandrang van Lodewijk Napoleon werden werken van geringe kwaliteit afgestoten en ging de aandacht uit naar hen die als de beste vertegenwoordigers van de 17de eeuw werd beschouwden: Gerard Dou en Paulus Potter.

De terugtrekking van de Fransen betekende gelukkig niet het einde van de koninklijke collectie. De verhuizing van de schilderijen naar het Trippenhuis in 1817 en in 1885 naar het nieuwe onderkomen op de Stadhouderskade in Amsterdam zijn evenzovele pogingen om de verzameling op het niveau te brengen waar deze uiteindelijk is uitgekomen. Vandaag de dag kan het Rijksmuseum zich wat het belang van zijn collecties betreft meten met andere nationale musea, zij het dat zijn kracht ligt in de schilderkunst van eigen bodem. Die keuze werd in de geschiedenis van het Rijksmuseum al in een vroeg stadium gemaakt, door een vorst die helemaal geen Nederlander was, maar zich wel trouw aan het erfgoed van het Nederlandse volk opstelde. Juist om die reden zou het Rijksmuseum zich koninklijk mogen noemen.

mailIcon print |