recensie Eeuwenlang keurde niemand het boek een blik waardig. Pas in de negentiende eeuw werd het een enkele maal in handen genomen door de (toen nog schaarse) literatuurwetenschappers die zich voor middeleeuwse teksten in het Nederlands interesseerden.
Pas de laatste kwarteeuw begon de wetenschappelijke belangstelling voor het handschrift-Van Hulthem toe te nemen. En kortgeleden kwam de complete inhoud van dit vuistdikke handgeschreven boek met honderden Middelnederlandse teksten voor het eerst in editie beschikbaar.
Herman Brinkman en Janny Schenkel schreven de 484 bladzijden van het inmiddels beroemde handschrift met uiterste precisie over (specialisten noemen dat 'afschrijven') en schreven er een inleiding bij.
Het handschrift-Van Hulthem, dat kort na 1400 tot stand kwam, dankt zijn naam aan de Gentse politicus Charles van Hulthem (1764-1832), die aardigheid had in het verzamelen van oude boeken. Hij verwierf het boek voor slechts vijfenhalve frank. Na zijn overlijden kocht de Belgische regering Charles' immense boekenverzameling, waarmee overigens het hele bedrag van de begroting voor literatuur, wetenschap en kunst voor dat jaar in één keer uitgegeven was.
Het handschrift wordt wel 'De Nachtwacht van de Middelnederlandse letteren' genoemd. Er staan dan ook vele klassiekers in, zoals De reis van Sint-Brandaan en de abele spelen. Zo belangrijk als de 'Nachtwacht' voor de geschiedenis van de schilderkunst in de zeventiende eeuw is, zoveel betekent 'Hulthem' voor de literatuurgeschiedenis van de Middeleeuwen. De vier abele spelen met de bijbehorende kluchten zijn bijvoorbeeld de oudste wereldlijke toneelstukken in Europa.
De vergelijking met Rembrandts meesterwerk snijdt trouwens ook hout als je kijkt naar de overdaad van teksten het handschrift: Hulthems boek is net zo vol als Rembrandts doek.
'Hulthem' bevat meer dan 500 rijmspreuken, een tiental wat langere verhalende teksten, ruim 100 sproken, ongeveer 50 gebeden, 22 toneel- en dialoogteksten, 14 liederen, 5 liefdesbrieven op rijm en een routebeschrijving naar Santiago de Compostela (in die tijd een van de populairste bedevaartsplaatsen). Dat zijn dus bij elkaar zo'n 700 verschillende teksten en tekstjes.
Het is een boeiende bezigheid om door de beide delen van de editie te bladeren. Bijna zes eeuwen geleden hebben mensen die de Nederlandse taal spraken, deze teksten gelezen of beluisterd. Staken ze er wat van op? Werden ze erdoor geroerd? Hebben ze erom gelachen?
Allengs dringt zich dan ook de vraag op van wie toch dit wonderlijke boek is geweest, en hoe het is gebruikt. Deze vraag is ook door specialisten in de Middelnederlandse letterkunde steeds opnieuw gesteld. Een afdoend antwoord is tot op de dag van vandaag nooit gevonden.'Hulthem' bevat geen enkele aantekening over tijdstip of plaats van vervaardiging, en evenmin over wie het boek schreef of wie het liet schrijven.
Hierover zijn de afgelopen jaren steeds nieuwe ideeën geopperd. Zo heeft men naar voren gebracht dat het boek kan hebben toebehoord aan een schrijfatelier in Brussel. Daar zou het gediend hebben als stalenboek waaruit klanten teksten konden kiezen. Die werden dan door het personeel van de 'tekstwinkel' tegen betaling overgeschreven. Dat is niet zo gek gedacht. Onderaan iedere rijmtekst staat namelijk vermeld hoeveel versregels deze telde. Zodoende kon de kopiist gemakkelijk berekenen hoeveel hij moest hebben voor zijn schrijfwerk. Maar wat daartegen pleit is (onder meer) de tekstcollectie zelf. Zou een commercieel bedrijf alléén de pelgrimsroute naar Santiago de Compostela in het stalenboek hebben laten optekenen, en niet de routes naar Jeruzalem, Rome en andere middeleeuwse bedevaartsplaatsen? Het is niet erg waarschijnlijk.
Een nieuwe visie op het probleem werd onlangs voren gebracht door een van de editeurs. Tijdens het werken aan de editie merkte de Leidse literatuurhistoricus Herman Brinkman op dat een groot aantal teksten in verband te brengen viel met Sint-Jans-Molenbeek, nu een Brusselse deelgemeente, in de Middeleeuwen een dorp buiten de stadsmuren van Brussel.
De sleutel vond Brinkman in een tweetal Hulthem-teksten waarin twee wonderen werden beschreven die in 1399 plaatsvonden in de kerk van Sint-Jans-Molenbeek. Door diep te graven in de lokale geschiedenis van Molenbeek kon hij vaststellen dat er in 1399 een stevig pr-offensief plaatsvond om het dorp op de kaart te zetten als aantrekkelijk bedevaartsoord. En vervolgens bleken ook andere Hulthem-teksten in verband gebracht te kunnen worden met de parochie Molenbeek, en met de heer van kasteel Koekelberg, dat tot de parochie behoorde. Door het aantrekken van grote aantallen pelgrims, hoopte men in Molenbeek meer inkomsten voor de parochie te genereren.
Een van de publiciteitsacties die het Molenbeekse kerkbestuur in 1399 ondernam, was aan pelgrims die de kerk op Sint-Jansdag bezochten, een gratis dronk aan te bieden. In 'Hulthem' nu staat een tekst over de minnedronk van Sint-Gertrudis en Sint-Jan. (Middeleeuwse reizigers brachten traditioneel een dronk uit op deze heiligen om bescherming te vragen voor onderweg.) Sint-Gertrudis was tweede patrones van de kerk van Sint-Jans-Molenbeek, en naast het kerkgebouw bevond zich een put die aan haar gewijd was. Door een gratis Sint-Gertrudis-minnedronk aan te bieden en er het bijbehorende verhaal bij te vertellen, probeerde men blijkbaar de pelgrims te overtuigen van het grote religieuze belang van Sint-Jans-Molenbeek.
Het pr-plan is niet gelukt. In de lijst van ruim vijfhonderd middeleeuwse bedevaartsplaatsen waarvan bekend is dat ze bezocht werden door inwoners van ons taalgebied, schittert Molenbeek door afwezigheid. Molenbeek als pelgrimsoord is het lokale belang kennelijk nooit ontstegen. De teksten uit 'de Nachtwacht van de Middelnederlandse letteren' die op de bedevaartsplaats betrekking hebben, getuigen derhalve slechts van een vergeefs pr-offensief.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.