recensie Deze minibiografie zou als volgt hebben kunnen luiden: ,,Raymond Queneau, is u een romancier, dichter, humorist, filosoof, taalvernieuwer, (ex-)surrealist, redacteur van Gallimard, veelweter, schaakfanaat, amateur-wiskundige, zoon, echtgenoot, vader? Is u aardig, grappig, intelligent? Is u geboren in 1903 en gestorven in 1976?'' Het antwoord hierop had kunnen luiden: ,,Ja (18x).'' Kort, krachtig, waar. Ideaal voor de jachtige literatuurliefhebber en/of biografiehater.
Probleem is dat je van dergelijke informatie niet veel wijzer wordt. Als iemand vraagt ,,Wat is een auto?'' en je antwoordt ,,Vier wielen, stoelen, een motor en een boel staal'', dan is daar meestal geen woord van gelogen, maar is nog niet duidelijk hoe het apparaat werkt, welke emoties het bij de bezitter oproept, welke functie het binnen de samenleving vervult, etc. Daar komt veel meer uitleg bij kijken, het liefst gecombineerd met een rondrit langs fabrieken en andere parafernalia.
En ja, gaandeweg zie je een beeld ontstaan. Het wordt langzaam minder vaag, de contouren van een middelgrote man met bril en donker haar tekenen zich af, hij wappert met paspoort, trouwboekje, cv. Surrealisten verschijnen en verdwijnen weer, een hamer en sikkel flitsen voorbij, en daar zijn de boeken. Vrachten boeken. Van anderen, vaak gelezen als medewerker van uitgeverij Gallimard. Van hemzelf, zoals 'Zazie in de metro' en 'Stijloefeningen' (ook bekend van film en toneel).
Maar dit zijn details die in de betere literatuurgeschiedenis vallen op te zoeken. Echt spannend wordt 'Mijn moeder zong' op de plekken waar Queneau met de billen bloot gaat. Plekken die gekoesterd moeten worden, want je struikelt er niet over. ,,Alleen objectief dagboek. Geen intieme zaken,'' noteert hij in 1945. Fraaie uitzondering op dit adagium vormt de periode van 1928 tot 1932, waarin hij, nog onder invloed van de surrealisten, zijn dromen driftig op papier zet en interpreteert. Het lijstje 'Algemene conclusies' van de jonge Freud-adept begint met ,,Homoseksuele neigingen. Polygame en anaal gerichte heteroseksuele neigingen. Exhibitionistisch-voyeuristisch complex.'' Aha, dat begint erop te lijken.
Helaas. ,,Uiteindelijk denk ik dat het haast onmogelijk is jezelf aan een psychoanalyse te onderwerpen'', is de nog algemenere conclusie. Queneau gaat in analyse bij een externe deskundige, waarmee de kans op verdere intimiteiten van dit kaliber is verkeken. In het algemeen zijn de dagboeken van Queneau niet bijster opwindend, wat Van der Sterre slim heeft opgevangen door de betere fragmenten daaruit te larderen met stukken uit de min of meer autobiografische werken van de Fransman, zoals de gedichtenbundel 'Chêne et chien'. Of uit interviews, zoals het gesprek dat Hans Andreus in de jaren vijftig met hem voerde.
En zelfs ondanks deze ingreep van Van der Sterre dreigt de ware Queneau je te ontglippen. In de loop der jaren schermt hij zijn emoties steeds meer af. De romans 'De laatste dagen' (1936) en 'Odile' (1937) beschouwt hij achteraf als te autobiografisch. Hij spreekt zich uit tegen de 'écriture automatique'-stokpaardje van de surrealisten-en schrijft: ,,De dichter is nooit geïnspireerd, omdat hij macht heeft over wat anderen inspiratie noemen.''
Zijn werk, dat met ingang van eersteling 'Hondsgras' al vaak op een licht wiskundige leest is geschoeid, wordt steeds technischer en ironischer. In april 1920 verklaart de dan 17-jarige Raymond tegenover zijn ouders dat hij ,,atheïst'' is. Waarmee het leven een zekere absurditeit krijgt, die hij nooit met een alternatief geloof de kop in heeft weten te drukken. Voor het communisme koesterde hij beslist enige sympathie, hij had zich net als surrealist Louis Aragon achter Stalin kunnen scharen, maar daarvoor was hij te lucide en had hij te veel afkeer van ,,massa's als zodanig''.
In het pas verschenen 'Politicide. De moord op de politiek in de Franse filosofie' wijt de briljante jonge filosoof en historicus Luuk van Middelaar Queneau's scepsis aan de colleges die hij in de jaren dertig volgde bij de Russische Hegel-exegeet Alexandre Kojeve. Van Hegel en Kojeve zou Queneau hebben meegekregen dat de geschiedenis sinds Napoleons overwinning bij Jena (1806) voorbij was, dat er sindsdien op het politieke vlak weinig eer meer viel te behalen. Waarmee Queneau een postmodernist avant la lettre wordt.
Als je weet dat Queneau al begin jaren twintig het leven tot absurd bestempelt, slinkt de invloed van Kojeve zienderogen. Maar iets postmoderns heeft de schrijver beslist. Constante ironie, gegoochel met taal, citeren uit andermans en eigen werk... ,,Ik heb absoluut geen vertrouwen in de taal, dat wil zeggen dat ik niet denk dat de taal waarheid bevat'', aldus 'Mijn moeder zong'.
Elders merkt Queneau op dat goede romans een ,,bloembol'' vormen, waarvan sommige lezers alleen de buitenste schil afpellen terwijl anderen tot de kern weten door te dringen. Wat meteen een pleidooi lijkt voor een grondige lezing van zijn eigen oeuvre, dat in eerste opzicht grotendeels uit komische verhaaltjes bestaat. Verwijder een paar lagen van de bloembol en met een beetje geluk komt er iets over de schepper ervan te voorschijn. Diens angst voor het ouder worden, par exemple. Februari 1940. ,,1933-34-35-36-37-38-39... Wat zijn [de jaren] snel verlopen. Eng gewoon. Eng! Eng! Al die tijd is voorbijgegaan als een droom, als een goocheltruc. 1930 was gisteren. Wat heb ik sindsdien gedaan? Niets, voor mijn gevoel, niets.''
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.