*

 

Van kritiekloze bewondering naar kritische betrokkenheid

ROBERT DORSMAN − 29/01/00, 00:00

recensie Uit de boeiende studie van Wilfred Jonckheere wordt duidelijk dat er heel wat moois -en lelijks- over Zuid-Afrika is geschreven. Jonckheere, al sinds de jaren zestig van de vorige eeuw woonachtig in Zuid-Afrika, behandelt het imago van Zuid-Afrika in Nederland en hoe dat imago zijn weerslag vond in proza en poëzie.

Aanvankelijk leidde het 'heldhaftig verzet der boeren' tijdens de Boerenoorlog (1899-1902) tot een mythologisering in de Lage Landen. Voor de Nederlanders waren de Boeren de ,,concretisering van een soort wensdroom, een ideaal dat de in Europa achtergebleven, moreel verslapte Hollander niet meer kon bereiken'', schrijft Jonckheere. Als grootste voorbeeld hiervan noemt hij Louwrens (L.J.) Penning, die vooral vijftigplussers nog wel kennen. Pennings boeken haalden enorme oplagen en tientallen herdrukken. Zijn bekendste werken waren 'De Leeuw van Modderspruit', 'De held van Spionkop' en 'De overwinnaar van Nooitgedacht', boeken die tijdens de Boerenoorlog verschenen. Penning werd bij het schrijven gedreven door verregaande evangelisatiedrang: ,,Mijn vaderlandsliefde was de prikkel; mijn streven is de versterking van het nationaal-religieus bewustzijn van het Nederlandse volk, dat ik lief zal hebben tot mijn laatste snik.'' Toch was Penning -die de zwarte bevolking naar het gebruik in zijn tijd steevast omschreef als 'de Kaffer'- niet te beroerd om te constateren dat de Boeren hun plicht jegens de oorspronkelijke bevolking hadden verzuimd: ,,Is de Afrikaanse Boer in zijn christelijke roeping tegenover de Kaffer niet tekortgeschoten?'', laat hij in een van zijn boeken iemand retorisch vragen.

Sinds Penning is er geen schrijver meer geweest die zoveel succes oogstte met Zuid-Afrika. Zijn boeken werden door de jeugd verslonden. Leo J. Leeuwis schreef nog in 1961 in Het Parool: ,,De helden, leeuwen, scherpschutters, verraders, goudgravers, verkenners van Zuid-Afrika, hoofdzakelijk variaties op het thema ruwe bolster -blanke pit, draafden hoog te paard door rechtzinnig Nederland en veroverden het stormenderhand.'' Volgens Jonckheere kleeft er een aantal tekortkomingen aan Pennings werk, maar toch concludeert hij dat Penning meer dan wie ook in het Nederlandse taalgebied de geschiedenis van het Boerenvolk heeft geromantiseerd en zodoende aan de beeldvorming van Zuid-Afrika heeft bijgedragen.

Die beeldvorming veranderde radicaal vanaf de jaren zestig van de vorige eeuw, toen de internationale opinie zich meer en meer tegen Zuid-Afrika keerde. Deze krant probeerde nog een paginaruil met Die Burger, maar Zuid-Afrika en Nederland waren te ver uit elkaar gegroeid. Trouw gooide -tot woede van de lezers- in 1964 nog eens olie op het vuur door in het beruchte Rivoniaproces in Johannesburg uitgerekend de kant van Nelson Mandela te kiezen.

Door de acties van antiapartheidsorganisaties als KZA, AABN en Kairos werd in Nederland een totale ommezwaai bewerkstelligd wat betreft het imago van Zuid-Afrika. Dat hier drie zeer invloedrijke Zuid-Afrika-bewegingen naast elkaar konden bestaan, vormt misschien een psychologische verklaring voor het gegeven dat 'Zuid-Afrika' een gewetenskwestie was. Nederland worstelde -en worstelt- met een onverwerkt koloniaal verleden. Bovendien kwam de onderdrukking in Zuid-Afrika voort uit een beleid dat door de afstammelingen van de ooit zo heldhaftige Boeren werd gesteund. Daarnaast speelde een rol dat Nederland met een morele nationale schuld zat ten aanzien van het lot van ruim honderdduizend joden die in de Tweede Wereldoorlog waren weggevoerd. Zuid-Afrika vormde een adequate bliksemafleider voor al dat onverwerkte ongenoegen.

Literair kwam al dat mishagen soms tot uiting in het werk van Nederlandse schrijvers. Bekende dichters als Lucebert, Remco Campert, H.C. ten Berge, Bert Schierbeek, Simon Vinkenoog en ook Gerrit Komrij, schreven protestpoëzie tegen de gevangenneming en berechting van Breyten Breytenbach in 1975. Ook Rutger Kopland wijdde een gedicht aan Breytenbach, opgenomen in de bundel 'Al die mooie beloften' uit 1978. Maar er waren ook tegenstemmen. Denk aan de omstreden bezoeken van W.F. Hermans en Gerard Reve aan Zuid-Afrika. Wat Reve na zijn bezoek te zeggen had, was typerender voor hemzelf en zijn moederland dan voor Zuid-Afrika: ,,Ik dacht dat Nederland cultuurarm was, maar het kan nog erger.'' Jonckheere meldt: ,,Dat hij (Reve dus) in hetzelfde huis en in dezelfde kamer als Hendrik Frensch Verwoerd in de Van Hallstraat in Amsterdam geboren was, stak hij niet onder stoelen of banken.'' Verwoerd was de in Amsterdam geboortige grondlegger van de apartheid en latere premier van Zuid-Afrika die in 1966 werd vermoord.

Ter afsluiting gaat Jonckheere in op de verschillende houding in Nederland en België jegens Zuid-Afrika. Hij stelt dat de vooroordelen die beide landen uit hun voormalige koloniën meenamen bleven bestaan en dat anti-apartheidsteksten aanvankelijk geringe invloed hadden. In Nederland vormde het anti-apartheidsdenken -ook in literaire zin- uiteindelijk een weerspiegeling van het veranderde Nederlandse zelfbeeld. In een werelddeel waar zo veel miljoenen ten slachtoffer waren gevallen aan rassenwaan, kon een starre ideologie als de apartheid gewoon geen ingang vinden. Juist doordat dit beleid zich vestigde in een land met Nederlandse 'wortels en tradities', werden schuldgevoelens opgewekt. Jonckheere concludeert dat in 1994 -na de eerste democratische verkiezingen in Zuid-Afrika- een einde kwam aan de anti-apartheidsliteratuur in Nederland, zoals er ook in 1902, na de Boerenoorlog een einde kwam aan de Boerenoorlogliteratuur: ,,De strijd was gestreden.''

Jonckheere's fraai uitgegeven, prettig geschreven boek leest zoals een rits zich sluit. Het opent met een portret van een stoïcijns ogende Paul Kruger, en eindigt met de foto van een triomfantelijke Nelson Mandela op het Leidseplein. Daartussen voeg je als lezer de twee verhalen van Zuid-Afrika in de Nederlandse literatuur, van kritiekloze bewondering naar kritische betrokkenheid, naadloos bij elkaar.

mailIcon print |