*

 

Bernlef verwoordt de stomme film

T. VAN DEEL − 15/01/00, 00:00

recensie Bernlefs nieuwste en meest omvangrijke roman tot dusver, 'Boy', is geschreven rondom een leeg personage, dat geen verleden heeft en zich niet kan uitdrukken, want het is doofstom. Deze jongen wordt Boy genoemd door de vrouw die hem vindt aan het strand en hem in huis neemt, een pianiste die in het buurtbioscoopje de begeleidende muziek speelt bij stomme films. We leven aan het begin van de vorige eeuw, in de armelijke buurt Flatbush van Brooklyn.

De roman heeft globaal de opzet van een speurtocht naar de ware toedracht van een moord. De speurneus is verslaggever van de buurtkrant en een groot liefhebber van stomme films waarin Polly Todd speelt, een jongensachtige vrouw die de boel flink op stelten zet. Zij woont in de omgeving en wordt op een dag naakt op haar bed aangetroffen, kennelijk gewurgd door Boy, die zich verscholen had in haar klerenkast. De onderzoeksrechter neemt althans volautomatisch aan dat hij de moordenaar is. Van enige bekentenis kan natuurlijk geen sprake zijn, want Boy is doofstom.

De verslaggever gaat nu proberen uit te vinden hoe dit alles in elkaar steekt. Hij weet door te dringen tot de inrichting waarin Boy is opgesloten en komt tot de overtuiging dat deze niet anders dan onschuldig kan zijn. Hij zoekt contact met de pianiste, die hem vertelt hoe het mogelijk is dat Boy zich in het huis van Polly Todd bevond.

De verslaggever komt een 'verhaal' op het spoor, dat door een grote mate van onwaarschijnlijkheid geen enkele kans maakt geloofdwaardig te zijn. Hij tekent daarmee zijn afscheid van de journalistiek. Later zal overigens uitkomen, dat het onwaarschijnlijke verhaal de waarheid sprak.

Boy heeft intussen, voordat hij terechtgesteld kon worden, zich door ophanging van het leven beroofd. Het feit dat hij niet meer leven wilde, moet iets te maken hebben, zo suggereert de roman, met zijn vitale afhankelijkheid van beelden. De stomme films die hij zag, ook die van Polly Todd, gaven structuur aan zijn werkelijkheid, hij kon ze volmaakt naspelen. Hetzelfde deed zijn eigen filmwerk: hij mocht van een fotograaf filmpjes maken en hij deed dat door allerlei details in een zekere volgorde te filmen, waardoor kennelijk een structuur ontstond die voor hem iets betekende, maar niet te achterhalen was wat dan precies.

Boy knipte uit catalogi afbeeldingen van voorwerpen die hij opplakte alsof het een beeldverhaal betrof en ook die reeksen van beelden bleven communicatief ontoereikend. De hele wereld bleef voor Boy bestaan uit losse beelden, waar hij in de rangschikking en de montage een betekenis aan wil verlenen, niet op de wijze van een verhaal (want dat is taal), maar op de wijze van het beeld. De conclusie moet zijn dat Boy in de inrichting verstoken bleef van beelden waarmee hij zijn wereld kon ordenen. ,,Hij was overgeleverd geweest aan de wereld met niets om die te ordenen. Vanzelfsprekend moest hij de handelingen volbracht hebben waarmee hij het ene duister voor het andere had verruild.'

Boy moet het van kijken hebben: hij kan zelfs pianospelen omdat hij zo intens naar de spelende handen van de pianiste heeft gekeken.

Op het eind van de roman, als de verslaggever en de pianiste samen intrekken in een oud hotel in Montauk, op de punt van Long Island, is de hotelier de pendant van Boy (vandaar ook dat de pianiste zo op hem gesteld is). De hotelier ziet slecht en heeft daarom zijn gehoor zozeer gescherpt, dat ,,hij ziet met zijn gehoor', zoals de pianiste het uitdrukt. Allerlei details, die voor iemand met al zijn zintuigen ter beschikking niet zijn op te merken, weet hij uit zijn gehoor op te maken. De vorm van een boom luistert hij af aan het geluid van de regen op de blaadjes.

Boy is het geweest die de verslaggever en de pianiste bij elkaar heeft gebracht en van meet af aan is hun omgang een liefdesgeschiedenis. Het schitterende van de roman is zeker gelegen in de verschillende verhaallijnen die zo vanzelfsprekend op elkaar betrokken zijn. De wereld van de film past bij de doofstomme jongen. De muziek die de pianiste voortbrengt sluit mooi aan bij de hotelier die het van geluid moet hebben. De journalist vertegenwoordigt de taal, want hij moet van zijn onderzoek een 'verhaal' maken, hij is de schrijver van de ware toedracht van de moord. De liefdesgeschiedenis loopt gelijk op met het detectiveverhaal.

Er is veel aan 'Boy' te beleven. Bernlef heeft ook wat de entourage en de couleur locale betreft, het begin van de vorige eeuw op die plek van de Nieuwe Wereld, aanschouwelijk gemaakt. Alles ervan is verdwenen, opgeslokt door de tijd, maar enigszins herleefbaar door de foto's en stomme films, die je laten kijken naar een wereld van waaruit geen geluid tot je doordringt.

mailIcon print |