recensie BOSSEN, HOEKEN, NAKKEN, BIEDEN: DE STRAATTAAL VAN DE JONGEREN
In het blad van de Nederlandse Vereniging voor Toegepaste Taalwetenschap doet de linguist René Appel een slag naar de 'straattaal: de mengtaal van jongeren in Amsterdam'. Zijn uitgangspunt was een aantal reportages in lokale kranten en op de lokale zender AT5 waarin leerkrachten hun bezorgdheid uitspraken over het steeds verder om zich heen grijpen van een taaltje dat ,,een mengelmoesje is van Surinaams, Marokkaans, Turks, Engels en Nederlands. Het klinkt allemaal heel leuk en creatief, maar de vraag is, is het ook gewenst? Want het Algemeen Beschaafd Nederlands, vooralsnog de voertaal in dit land, wordt door deze jongeren verwaarloosd'.
Appel heeft een verkenning uitgevoerd naar de aard en herkomst van die straattaal. Hij wil wel toegeven dat aan de opzet van zijn enquête van alles mankeert -de steekproef is niet zorgvuldig uitgevoerd, en een schriftelijke ondervraging van scholieren is ook niet de meest geëigende methode om iets over spreektaal te weten te komen. Maar het verslag van deze eerste poging is de moeite waard. 133 scholieren van 12 jaar en ouder, verdeeld over drie Amsterdamse scholen, heeft hij vragen laten beantwoorden. ,,Globaal is het beeld dat jongeren met een (deels) Surinaamse taalachtergrond het meest straattaal gebruiken. Daarna komen de jongeren met een Nederlandse taalachtergrond, terwijl de jongeren met een Turkse of Marokkaanse taalachtergrond relatief het minst straattaal zeggen te spreken.'
Dat straattaal vooral van het Surinaams is afgeleid (302 van de 468 door scholieren vermelde straattaalwoorden) verklaart Appel met een sociologisch én een linguïstisch argument: Surinaamse jongeren zijn de trendsetters op straat, en het Surinaams kent veel tweelettergrepige woorden waarin de klinkers 'smakelijk' op de medeklinkers volgen. (Volgens sommige taalkundigen zou elke taal stiekum naar die combinatie streven!) Engels levert natuurlijk ook nogal wat vocabulair, en bovendien introduceren de jongeren hun eigen woorden. De meeste jongeren zeggen straattaal te spreken omdat zij het grappig of stoer vinden. Appel constateert dat een groot deel van de woordenschat obsceen of agressief is: ,,Bossen, hoeken, nakken, bieden, de mogelijkheden om iemand te bedreigen zijn onuitputtelijk'.
Toch meent hij dat van de beledigingen juist de scherpe kantjes afgaan dankzij de optuiging met leenwoorden. De bezwaren van de leerkrachten tegen de corrumperende invloed van straattaal deelt hij niet. ,,Jongeren zeggen heus niet Gimme afoe, omdat zij onbekend zijn met de uitdrukking 'Geef me een trekje'. Dit wijst erop dat straattaal iets extra's is, waarbij overigens nog steeds voor veel jongeren geldt dat hun Nederlands matig tot zeer matig is. Dat lijkt me echter nauwelijks te wijten aan het gebruik van straattaal.' Dat 'extra's' waar Appel het over heeft wordt in het onderzoek naar de Amerikaanse zwarte ghetto's de 'cultuur van de armoede' genoemd. Als Appel zijn zin krijgt, en er uitgebreid etnografisch onderzoek naar de gebruikers van straattaal wordt ingesteld, zal mogelijk net als in Amerika worden vastgesteld dat de 'cultuur van de armoede' vooral 'armoede aan cultuur' is.
STRAATCULTUUR EN BUURTRELLEN: ENSCHEDü, GRONINGEN, AMSTERDAM
Wat er gebeurt als die straatcultuur geen woorden maar daden wordt, laat zich lezen in 'Beleidswetenschap. Kwartaalschrift voor beleidsonderzoek en beleidspraktijk.' De Groningse criminoloog J.A. Nijboer onderzoekt in een artikel 'Buurtrellen: openbare ordeverstoring door groepen jongeren' drie recente gevallen van collectief geweld. Het gaat om de rellen die in de zomer van 1996 rond het illegale autocrossen in Enschede uitbraken, de Oosterparkrellen tijdens oudjaar 1997 in Groningen, en de opstootjes van april 1998 in Amsterdam-West. Geen van de gevallen droeg het politieke karakter van de beweging die in vroeger dagen de zaak op stelten zette: provo's, atoompacifisten en krakers.
Volgens Nijboer is de ontstaansgeschiedenis steeds dezelfde. In een wijk neemt een groepje halfcriminele jongeren ongemerkt bezit van een paar openbare voorzieningen (park of plein, jeugdhonk of sportcentrum). De dupe zijn vaak nieuwkomers of buitenstaanders in de wijk. Als de klachten zich opstapelen en de politie het prijsgegeven terrein wil terugveroveren, komen de jongeren in opstand, nogal eens geruggesteund door oude lokale vrijbuiters. Niet zelden bevinden zich in de kern van het verzet ook plaatselijke voetbalsupporters. Een kat-en-muisspel tussen jeugd en politie zet in. Zo'n heen en weer golven van straatterreur en politie-ingrijpen kan jaren achtereen doorgaan. Na een periode van gedogen wil een plotselinge afkondiging van 'zero tolerance' in de buurt dan voor rancune en weerspannigheid zorgen.
Net als zijn linguïstische collega waarschuwt Nijboer voor een overschatting van de straatterreur. De pers dikt de situatie natuurlijk aan. Er zijn geen echte 'no go areas' in Nederland, wij zijn hier niet in de USA. De aanbevelingen van de criminoloog bevatten niet veel bijzonders: vroege signalering van problemen door 'professionals' in de wijk, tijdiger en tactischer politieoptreden, en herstel van het wegbezuinigde jeugdwerk.
Opmerkelijk is de pluim die hij de 'buurten in opstand' op de hoed steekt: ,,Wellicht is het zelfs zo dat een bepaald niveau van sociale cohesie in buurten een noodzakelijke voorwaarde is voor het ontstaan van rellen. Dergelijke vormen van 'spontaan georganiseerd verzet' vereisen een zeker gevoel van solidariteit en identiteit. Dat is in alle beschreven buurten aanwezig, maar het is vooral intern gericht, gebaseerd op sterke wij-zij gevoelens.' Zo op het oog een sociologisch verpakt compliment voor xenofobie, maar ik neem aan dat Nijboer die 'wij-zij gevoelens' niet in de weg van een 'open samenleving' wil laten staan. Maar zelfs dan, als een gesloten buurt met zachte en professionele hand wordt geopend, kan het misgaan. De weg naar 'no go area' is vaak met de beste bedoelingen geplaveid. In de jaren zestig was de Amerikaans stad Newark de trots van de 'professionals' (sociaal-werkers, sociologen etc.). Een 'integrated housing project' waarbij zwarten en blanken om en om werden gehuisvest zou een eind aan de raciale spanningen maken. In de hete zomer van 1966 was een van de eerste steden waar het deksel van de pan vloog, Newark. Het 'integrated housing project' werd letterlijk afgebrand. Er is geen reden tot optimisme over de wijze waarop sociale en generatie-conflicten zich in de nabije toekomst zullen vermengen, ook in Nederland, en het staat wel vast dat kleine en grote misdaad daarbij een rol zullen spelen. Een grotere wellicht dan criminologen en andere 'professionals' voorzien.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.