recensie De uit Marokko afkomstige schrijver Fouad Laroui (1958) woont sinds 1989 in Amsterdam, waar hij economie doceert. Hij heeft een schitterend Frans diploma, want hij studeerde aan de prestigieuze Ecole des mines, waar topingenieurs worden opgeleid.
Dat Laroui's relatie met Marokko complex is, vertelde hij twee jaar geleden tijdens een interview met Philippe Noble in Maison Descartes: als briljante jonge leerling werd hij al vroeg naar een Frans internaat in Marokko, ver weg van zijn ouderlijk huis, gestuurd. Hoewel zijn moeder alleen Marokkaans sprak, praatte hij ineens Frans tegen haar. Na zijn opleiding in Parijs werkte Laroui in zijn vaderland en in Engeland.
Laroui schrijft over de ambigue relatie met zijn vaderland, over moedertaal, de Franse taal en over ontheemding. Zijn eerste roman, 'Les dents du topographe', verscheen in 1996. Dit boek gaat over een zeventienjarige jongen in Marokko die van het lycée français in Casablanca wordt gestuurd, dwars door zijn land reist en met absurde figuren en situaties wordt geconfronteerd, zoals een topograaf die zijn baan verliest wegens dronkenschap, terwijl hij alleen maar stommelde omdat hij kiespijn had. Laroui's volgende boek, 'De quel amour blessé', verschenen in 1998, gaat over de gedwarsboomde liefde tussen een Arabische jongen en een joods meisje in het elfde arrondissement in Parijs. 'Kijk uit voor parachutisten', zijn meest recente boek, dat nu als eerste van de drie in het Nederlands vertaald werd, is een hilarische, originele roman over de grote tegenstelling tussen Frans individualisme en de Marokkaanse clangeest. Ingenieur Dinges krijgt op een dag letterlijk een parachutist op zijn hoofd. Bouazza, de parachutist, is uit de hemel komen vallen, omdat de wind hem van zijn koers heeft afgebracht: Bouazza had bij wijze van promotiestunt op de middenstip van een voetbalveld moeten landen. Omdat er in de Koran staat dat iedere goede moslim een door God gezonden vreemdeling thuis onderdak moet verlenen, zit er voor Dinges niets anders op dan zijn plicht te doen. Helaas gaat Bouazza, de vleesgeworden Marokkaanse clangeest en gezelligheid, met veel gezond verstand en zin voor gesjoemel, niet meer weg. In zijn kielzog komen er allerlei plakkerige mensen over de vloer zodat de naar rust en boeken snakkende Dinges geen moment meer alleen is.
Kenmerkend voor het stilistisch en narratologisch gezien boeiende werk van Laroui, is dat ieder ernstig onderwerp met veel brio en met onweerstaanbare humor beschreven wordt. Laroui heeft zijn boek opgedeeld in korte stukjes waarin hij de draak steekt met allerlei Marokkaanse gewoontes en figuren. Hij onderbreekt zichzelf, pakt de draad weer op en geeft het verhaaltje onverwacht een nieuwe wending. Dinges werkt in de Bitumenfabriek, waar een onderdeel voor asfalt ontwikkeld wordt, en het is komisch te lezen hoe hij zich moet laten koeioneren door sigaren rokende bazen, hoe hij op faxen wacht over een fabrieksonderdeel uit Albanië, hoe hij soms in de gratie is en dan weer in ongenade valt, en hoe de hoogste baas, de maffiose Sigaar, over zijn imperium regeert. Eigenlijk werkt Dinges nauwelijks. Hij leeft in een kafkaëske wereld met hiërarchische verhoudingen die onbegrijpelijk zijn voor een Marokkaan die bijna zijn hele leven in het Westen gewoond en gewerkt heeft.
Laroui's proza is moeilijk te vertalen, omdat hij zich bedient van spreektaal, argot, zelfverzonnen woorden en vlijmscherpe humor. De korte op Voltaire en Diderot geïnspireerde vertellingen zijn in een razende vaart geschreven. Een vertaler die dit Frans getrouw kan omzetten moet van goeden huize komen. Laroui en de uitgever mogen zich gelukkig prijzen met Frans van Woerden die 'Efiez-vous des parachutistes' werkelijk subliem vertaald heeft.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.