*

 

Paul Austers Mr Bones is geen overtuigende hond

MARGOT ENGELEN − 02/09/00, 00:00

recensie De Amerikaanse schrijver Paul Auster voegt met 'Timboektoe' een luchtige noot toe aan zijn serieuze oeuvre. Het is een roman over een zwerver met zijn hond, geschreven vanuit het perspectief van het dier.

Het is klinkklaar dat Paul Auster meer affiniteit heeft met de zwerver dan met de hond. Voor het boek is dat erg jammer. Op de plaatsen waar hij zijn best heeft gedaan om als hond geloofwaardig te klinken komt hij niet verder dan een kinderlijk toontje. Op een lollig bedoelde manier legt Mr Bones, de hond, uit waarom hij nooit heeft leren spreken als een mens: ,,Met het samenstel van snuit, tanden en tong waarmee het lot hem had opgezadeld behoorden keffen, geeuwen en janken tot het hoogst haalbare, waardoor zijn betogen ietwat lusteloos en ondoorgrondelijk overkwamen.' Mr Bones heeft veel, te veel menselijks. Hij kan denken, voorspellend dromen, vrezen wat in de toekomst gebeuren kan, gniffelen, en zelfs op elegante wijze zelfmoord plegen - onhondser kan het haast niet.

Austers vorige boek heette 'Van de hand in de tand' en ging over de armoede en ellende die de schrijver heeft ondergaan voordat hij erkenning vond. De zwerver in 'Timboektoe' is, misschien door die ervaringen, een veel interessanter hoofdpersoon dan de hond: hij is vijfenveertig en stervende, kreeg zijn eerste psychose in 1968, gebruikte drugs en veel drank, tatoeëerde een kerstman op zijn arm na een visioen, en dicht kladblok na kladblok vol.

Op het moment dat de lezer Willy Gurevitch Christmas ontmoet is hij half delirisch, hoest bloed, en geeft de auteur alle gelegenheid om nu en dan uit te barsten in lyrische vertogen die samenhang vertonen of die uitlopen in strapatsen van woordkunst. De dichtende zwerver is, wetende dat zijn einde nadert, iets waaraan hij de hond ook telkens aan herinnert, op zoek naar zijn oude lerares Engels en weldoenster, die zeventien jaar geleden nog in Baltimore woonde. Net als zijn eigen Pools-Amerikaanse moeder ('een halve zoon is nog altijd beter dan een lege dop, verstaihst?') heeft zijn lerares hem altijd geholpen; de dichter, de ambulante psychiatrische patient, en de verlopen zuiplap met een vuile hond vol vlooien en teken.

Uiteindelijk zijgt Willy voorgoed neer tegenover het huis waar Edgar Allan Poe heeft gewoond, 'de grote stamvader en pappie van alle yankee-krabbelaars'. Mr Bones moet benen maken voordat een hondenmepper of een hondetende Chinees hem te pakken krijgt. Dan blijkt hoezeer hij verworden is tot 'een slap, geciviliseerd schepsel, een denkende hond in plaats van een atletische'. Hij kan nog geen zieke duif vangen, komt bijna onder een auto, weet wrede kinderen niet te ontlopen en laat zich inpalmen door de eenzame zoon van uitgerekend een Chinese restauranthouder.

Gelukkig denkt Mr Bones vaak terug aan zijn oude baas, zodat de sympathieke figuur Willy Gurevitch Christmas en zijn knorrige joodse moeder niet uit de roman verdwijnen.

Mooi is de woede van de oude vrouw als haar zoon een kerstman heeft laten tatoeëren op zijn arm, immers de plaats waar al haar omgebrachte familieleden een nummer hadden staan. Maar elders vergaloppeert Auster zich, waar hij in alle ernst de jodenvervolging vergelijkt met hondenhaat. Mooi gevonden en uitgewerkt is wel weer de kwestie of een hond van kunst kan houden, esthetische impulsen kan ondergaan. Om die vraag te beantwoorden -bestaat reukkunst- componeert Willy met Bones' hulp een Symfonie van Geuren waarvoor zij zich in de meest koddige bochten wringen.

De combinatie zwerver-met-hond is natuurlijk niet nieuw. Een paar jaar geleden nog zette Lars Eigner in de roman 'Mijn reizen met Lizbeth' zo'n aandoenlijk duo neer. Maar Paul Auster is er in 'Timboektoe' niet in geslaagd om van de ene helft van zijn zwerverskoppel een overtuigende hond te maken. Zoiets is natuurlijk ook moeilijk, maar dat het wel degelijk kan, een hond als hoofdpersoon, bewees Michael Boelgakov in 1925 al met zijn fascinerende meesterwerk 'Hondehart'.

mailIcon print |