recensie In 1670, in de nadagen van het Eerste Stadhouderloze Tijdperk, publiceerde Benedictus de Spinoza een anonieme verhandeling in het Latijn, de Tractatus Theologico-politicus. In de Republiek, maar ook in de omringende landen, lokte het boek talloze verontwaardigde reacties uit. Zelfs voormalige vrienden en geestverwanten van Spinoza verwierpen het boek, dat ze als atheïstisch of in ieder geval als onchristelijk beschouwden. In 1674 werd het traktaat verboden, en enkele decennia later was het bijna vergeten.
Pas de laatste tijd is er weer volop belangstelling voor dit geschrift. In deze krant ('de Verdieping' van 26 november) berichtte Samuel de Lange onlangs over een symposium ter gelegenheid van een nieuwe tweetalige (Latijns-Franse) editie. In 1997 verscheen een Nederlandse vertaling door F. Akkerman, ruim een eeuw na de vorige. En nu is er alweer een (gedeeltelijke) vertaling verschenen, ditmaal van de onvermoeibare Spinoza-promotor Wim Klever.
Niet de 'in het algemeen voortreffelijke' vertaling van Akkerman moet het ontgelden, al heeft Klever daar nog wel het een en ander op aan te merken, maar diens inleiding en commentaar. Zoals altijd beijvert Klever zich om 'zijn' Spinoza te beschermen tegen interpretaties die er naar zijn mening naast zitten. Dat doet hij in zijn uitvoerige inleiding, en bovendien onderbreekt hij de teksten van Spinoza steeds voor toelichtingen en verklarende tussenkopjes, die de lezer op het rechte pad moeten houden. Zo is het nog meer een boek van Klever geworden dan van Spinoza, wat ook uit de titel en de auteursnaam blijkt.
Wie zich ervan bewust blijft dat ook Klevers commentaar vaak interpretatie is kan er veel nut van hebben; aan zijn deskundigheid hoeven we niet te twijfelen. Klever beschouwt de TTP (zoals het boek in vakkringen wordt aangeduid) als een 'waarlijk revolutionaire tekst'. Gezien de storm van protesten na de verschijning lijkt deze kwalificatie nauwelijks overdreven te zijn.
Toch waren er wel voorlopers en geestverwanten, in beide zaken die Spinoza met zijn traktaat beoogde: een moderne, wetenschappelijke benadering van de Heilige Schrift en -op grond van de daaruit verkregen inzichten- een nieuw fundament voor de staatsleer. Leibniz, die Spinoza in 1676 in Den Haag bezocht, had geen ongelijk toen hij schreef dat Spinoza's bijbelkritiek zijn fundamenten had in Leviathan van Thomas Hobbes. Deze Engelsman had betoogd dat de Bijbel louter was geschreven voor een praktisch doel, namelijk de mensen tot gehoorzaamheid aan God te brengen en hun de weg te wijzen naar het koninkrijk Gods, en dat hij dus niet is bedoeld om theoretische kennis te verschaffen over de werkelijkheid. Die kennis is door God overgelaten aan de natuurlijke rede -voor de gehoorzaamheid aan God maakt het niet uit of de aarde om de zon draait of andersom.
Aan de hand van vele bijbelteksten en
-commentaren (waarvan de al te uitvoerige door Klever niet zijn vertaald maar samengevat) maakt Spinoza hetzelfde onderscheid: de bedoeling van de Schrift is ons gehoorzaamheid aan God te leren, en die kan alleen tot uiting komen in ons gedrag jegens de medemensen, in het betrachten van naastenliefde en rechtvaardigheid. Tot deze gehoorzaamheid wordt door de profeten en bovenal door Christus aangespoord door middel van de verbeeldingskracht: zij stellen God voor als een vorst die wetten uitvaardigt en wiens onderdanen wij zijn. De natuurlijke rede daarentegen kan niet tot deze gehoorzaamheid opwekken, maar ze kan wel leiden tot de 'liefde voor God', op grond van een theoretische kennis van diens wezen. Dit wijsgerige inzicht is echter voor weinigen weggelegd.
Spinoza beklemtoont dat het geloof geen waarheid vereist maar vroomheid, die gehoorzaamheid aan God veronderstelt. Het geloof kan zich alleen manifesteren in goede werken, in daden van rechtvaardigheid en naastenliefde. Maar dat zijn precies de deugden die vereist zijn voor een goed staatsburgerschap. Hier blijkt het verband tussen Spinoza's theologie en zijn politieke filosofie. Hij acht zijn theologische leer zowel nuttig als noodzakelijk voor een vreedzame en eendrachtige samenleving in staatsverband. Hier verschilt hij van Hobbes, die in Leviathan staatsleer en theologie scherp scheidde. Het 'rijk Gods' waartoe de Bijbel aanspoort ligt niet in een leven na de dood, zoals Hobbes meende, maar wordt op aarde verwerkelijkt, namelijk daar ,,waar rechtvaardigheid en naastenliefde wettelijk en staatkundig afgedwongen worden'.
Of iemand een goed christen is kan alleen blijken uit zijn daden als burger, niet door de geloofsstellingen die hij onderschrijft. In een brief waarin hij kritiek op zijn boek weerlegt, schrijft Spinoza dat ook de Turken of andere volkeren de 'geest van Christus' bezitten indien ze God aanbidden met de cultus van rechtvaardigheid en naastenliefde, ongeacht de geloofsovertuiging die zij verder ook zijn toegedaan. Dat was inderdaad een revolutionaire gedachte voor die tijd -en zelfs voor de huidige tijd.
Het strookt met deze gedachte dat Spinoza in zijn traktaat een hartstochtelijk (zij het niet onvoorwaardelijk) pleidooi houdt voor de vrijheid van meningsuiting. De overheid mag zich alleen bemoeien met de daden van de mensen, voor het overige moet ieder worden ,,toegestaan om te denken wat hij wil en uit te spreken wat hij denkt'. Spinoza stelt zijn geboortestad Amsterdam tot voorbeeld van een gemeenschap waarin mensen van alle naties en secten ,,in hoogste gezindheid met elkaar samenleven'. Die reputatie heeft de hoofdstad ook nu nog hoog te houden.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.