recensie Iedere keer dat Grigory Sokolov de laatste jaren in serie meesterpianisten te beluisteren was, leek het wel alsof hij nog weer meer wist te boeien dan een jaar eerder. Zondag speelde hij weer in de Grote Zaal van het Concertgebouw. Andermaal bewees hij een van de beste, en interessantste pianisten van deze tijd te zijn, wiens spel zich alleen nog maar verdiept en geen sporen van slijtage vertoont.
Dit keer kwam Sokolov met een tamelijk sober programma naar Amsterdam, waarmee hij de luisteraars desondanks ongemeen wist te boeien. Dat kwam door zijn fenomenaal gave techniek en beheersing van de toon, zijn eerlijke muzikaliteit en sympathieke uitstraling, maar bovenal door het feit dat hij een meesterverteller aan het klavier is. Die gave sprak hij in het bijzonder aan in de 'Arabeske', opus 18 en in drie Novelletten uit opus 21 van Robert Schumann. Verrukkelijk was zijn buitengewoon schone toonvorming, zowel in de zin van onberispelijk als in esthetische zin. Tevens was zijn spel contrastrijk, van een fluisterend maar glashelder pianissimo tot en met de krachtigste uitbarstingen, waarin de klank altijd uitermate veerkrachtige bleef.
In 'Prélude, Choral en Fugue' van César Franck trok Grigory Sokolov heel andere registers open. Na Schumann klonk de vleugel in Francks Prélude opeens rank, elegant, typisch Frans. Vervolgens leek het in het Choral en de Fuga wel alsof Sokolov achter de klavieren van het Maarschalkerweerd-orgel zat, in plaats van achter de Steinway.
Nog weer een totaal andere klankwereld was er na de pauze in tien Mazurka's van Chopin. De spaarzame verlichting droeg ertoe bij, dat je de indruk van een grote-zaalrecital kwijtraakte tijdens Sokolovs buitengewoon intieme en verfijnde vertolking. Tegelijk was zijn uitvoering vervuld van een zeldzame melancholie, die helemaal bij Chopin past, maar die je niet direct verwacht bij mazurka's. Deze miniatuurtjes worden namelijk meestal veel puntiger en vrolijker gespeeld. Het was betoverend, maar persoonlijk was ik ondanks alle bewondering om meerdere redenen toch niet volkomen gelukkig met Sokolov als mazurka-speler.
Een probleem was dat hij weinig afwisseling in de atmosfeer bracht, door zijn keuze van een reeks overwegend langzame of nogal traag gespeelde stukjes. Afzonderlijk gespeeld -als toegift- zouden ze stellig meer hebben overtuigd dan in groepsverband. Een ander probleem was Sokolovs rubato (het afremmen en weer opnemen van de maat ten gunste van de expressiviteit): dit was vaak zo sterk dat er zelden langer dan twee maten sprake was van een doorgaande puls. Het is de vraag of dit bij een mazurka wel zo moet, ook al gebruikte Chopin deze Poolse volksdans in gestileerde vorm. Het blijft immers een dans. Bovendien is bekend dat de componist zelf zijn linkerhand als regel in de maat speelde; het rubato liet hij aan de rechterhand over. Bij Sokolov was het daarentegen de linkerhand die de vrijheden in het tempo initieerde.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.