recensie Het jongste nummer van Tirade, een literair tijdschrift dat maar zelden tegenvalt, opent met een verhaal van Kees Verheul getiteld 'Elseneur. Een huiskamer'. Inderdaad speelt 'Hamlet' van Shakespeare een belangrijke rol in dit autobiografische verhaal, waarin herinneringen opgeroepen worden aan de vader. Verheul is niet een schrijver van het gemakzuchtig autobiografische soort, hij probeert altijd achter de ware toedracht te komen door op een heel indringende en precieze manier zijn herinnering aan te spreken en bij zichzelf te rade te gaan, bijna op de wijze van de scheppende verbeelding. Dan komt er heel veel los en grijpen voordien onvermoede elementen van het levensverhaal in elkaar en dat maakt grote indruk.
Wat het proza betreft begint deze Tirade dus heel terecht met Verheul, wat de poëzie betreft evenzeer terecht met maar liefst tien nieuwe gedichten van Willem Jan Otten, gebracht onder de gezamenlijke titel 'Geknikte zinnen'. Met die titel zal wel bedoeld zijn dat gedichten bestaan uit 'geknikte' zinnen, al zou ik me ook kunnen voorstellen dat hij betekent: beaamde zinnen, zinnen waarbij ik geknikt heb. Het eerste gedicht gaat met zoveel woorden over het schrijven van gedichten: 'Hij wijdt zijn stilste uren aan zijn neiging / nog te waaien koeltjes op papier te krijgen'. De suggestie is dat een windje moet opsteken 'op het meer herinnering' en dat het water licht in beweging komt en rimpels gaat vertonen, tekens kortom die al in de richting gaan van schrift, van woorden, van een gedicht: 'wat zoveel zeggen wil als // dat wat komt nog niet door hem geweten is / maar wel vanouds gekend - leg dat nu maar 's uit'. Prachtig werkt Otten dit in de afronding van zijn vers uit. De religieuze ondertoon, of moet ik zeggen boventoon, laat zich geregeld voelen en kennen, zoals in het mooie begin: 'Hoe wij in de handpalm neergeschreven zijn, / hij heeft het nog niet grondig onderzocht'.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.