*

 

Schuil weet onderhuids een gevoelige snaar te raken Beeldende kunst

Robbert Roos − 25/01/00, 00:00

De schilder Han Schuil (1958) heeft zelf ooit een vrij treffende omschrijving van zijn werk gegeven: 'het moet de directheid hebben van een verkeersbord en de intensiteit van een Vlaamse primitief'. In het Stedelijk Museum in Amsterdam worden voor het eerst ongeveer dertig van zijn 'doeken' in een retrospectief bij elkaar gebracht.

Het werk van Schuil heeft onmiskenbaar de signatuur van de jaren tachtig: glossy paint op een aluminium ondergrond en hard-edge figuratie gebaseerd op 'tekens' uit onze maatschappij. Schuil winkelt in de werkelijkheid, abstraheert kenmerkende elementen (de contour van een huis, een snelweg, een schaatspak, auto's, verkeerstekens, stripsymbolen) en verwerkt die op een directe, emotieloze manier in formele composities.

Het is geen perfecte wereld. De metalen ondergrond is gebutst of zelfs doorboort, de figuratie heeft rafelranden of zit vol slordigheden. Het informele staat voorop. Maar het blijft altijd gaan om uiterlijkheden, om fragmenten uit de samenleving die in hoge mate worden geobjectiveerd. Het is de werkwijze waar Amerikanen als Jeff Koons, Robert Gober, Christopher Wool en Haim Steinbach groot mee zijn geworden. Hun 'appropriation art' wortelde nadrukkelijk in de pop art en de dada-kunst van Marcel Duchamp. Ook Schuil is aan deze erflaters schatplichtig. Het is de 'verkeersbord'-directheid die hij zoekt.

De tegenpool van deze onpersoonlijke figuratie, is de intensiteit van de Vlaamse primitieven uit de vijftiende eeuw die Schuil probeert op te roepen. De Amerikanen bleven vaak steken bij de buitenkant, de huid van hun werk, Schuil probeert wel degelijk een diepere laag te raken. Hij bespeelt net als Rogier van der Weyden en consorten de icoon-waarde van zijn motieven, met als cruciaal verschil natuurlijk dat de Vlaamse primitieven konden bouwen op een basale religieuze beleving van de kijker. Schuil moet het doen met bezoekers die al worden gebombardeerd door visuele indrukken in ons communicatie-tijdperk.

Doordat nog resten van de tentoonstelling 'Glad IJs' in het Stedelijk te zien zijn, valt een mooie vergelijking te maken tussen het werk van de 'tachtiger' Schuil en de 'negentiger' Robert Zandvliet. Ook Zandvliet werkt met geabstraheerde elementen uit de werkelijkheid (een kam, een bioscoopscherm), maar hij verwerkt ze op een meer klassieke schilderkunstige manier: met ijle lagen verf op doek. Het geeft zeker meer warmte, maar in beleving doet Schuil er niet voor onder. Het is meer een verschil in tijdgeest.

Schuil is daarnaast meer bezig met het collageren van archetypische tekens, terwijl Zandvliet zijn voorwerpen beeldvullend, geschematiseerd en vrij droog neerzet. Doordat Schuil een meer complexe picturale spanning probeert op te roepen, laat hij de kijker uiteindelijk dieper nadenken over de rol van symbolen en beeldmerken in onze samenleving.

mailIcon print |