*

 

Huwelijksdrama van Pauline Slot biedt stof voor analyse

ODILE JANSEN − 29/01/00, 00:00

recensie Amper een jaar na haar sterke debuut 'Zuiderkruis', verscheen van Pauline Slot een tweede roman, 'Blauwbaard'. Te snel misschien, want het psychologische drama dat er nu ligt, stelt op zijn zachtst gezegd teleur.

Weliswaar zijn er in 'Blauwbaard' weer zoals in 'Zuiderkruis' fraaie metaforen te bewonderen, ook al heeft de talige souplesse die de schrijfster toen toonde, nu hier en daar plaatsgemaakt voor een stijf, uitleggerig proza. Maar in 'Blauwbaard' getuigt nog maar weinig van het compositorisch talent waarmee Slot als debutant imponeerde. Moeiteloos kregen de thema's van 'Zuiderkruis' de queeste naar identiteit en de betekenis van relaties hun beslag in de odyssee van de hoofdpersoon.

Identiteit, het verleden en relaties nemen ook in de nieuwe roman een centrale plaats in. Maar de eenheid tussen plot en thematiek is ditmaal ver te zoeken. Het lijkt erop dat Slot niet wist wat ze eigenlijk wilde vertellen, waardoor er een hevige oorlog woedt tussen het hoofdverhaal en de vele miniverhaaltjes eromheen. Kortom, 'Blauwbaard' is een boek dat erom vraagt op de divan neergelegd te worden. Al was het maar omdat achter de literaire madness toch een zekere method schuil lijkt te gaan. In elk geval is er een verbindende factor tussen de eigenaardige, melodramatische familiegeschiedenissen van Slots hoofdpersonen en het verhaal dat de ogenschijnlijke kern van 'Blauwbaard' vormt. Dat verhaal gaat over geheimen in de liefde, in dit geval het onbekende relationele verleden van de partner.

Slot laat twee veertigers die al meerdere relaties achter de rug hebben, optreden in wat zich als een ware huwelijkstragedie zal ontpoppen door de tussenkomst van een derde, een blondgelokte lorelei die wonderlijke verhalen vertelt en een betoverende zangstem bezit. Deze veertigers zijn de nogal schetsmatig getekende wanordelijke psychiater Maria Jacobse en haar precieze man Edu Lingsma, een archeoloog. Beiden zijn beroepsgravers naar het verleden, ervaren constructeurs dus van levensgeschiedenissen, die echter in hun eigen leven nog het een en ander uit te spitten hebben. Dit geldt vooral voor Maria die als vijfjarige, met haar Zweedse moeder en Nederlandse vader het vertrouwde Zweden moest verruilen voor het vreemde Nederland. Maria heeft sindsdien een afkeer van maskers en is kien op bekende gezichten. Wat eerst een mogelijke reactie lijkt op de neurologische afwijking waaraan haar moeder lijdt, namelijk het onvermogen om gezichten en stemmen te herkennen, zal aan het slot van de roman een traumatische oorsprong blijken te hebben. Als in een slecht toneelstuk wordt dan een familiegeheim onthuld dat met terugwerkende kracht niet alleen Maria's 'fobieën' verklaart, maar ook haar ambivalente reactie op de ontdekking van archiefdozen vol tastbare herinneringen aan vroegere geliefdes in Edu's werkkamer die door niemand betreden mag worden. Toen Maria's moeder ten gevolge van een ongeluk een wrak werd, kon haar vader dat niet verdragen. Zo kwam het dat zijn tweelingbroer die altijd al dol op haar was geweest, zijn plaats innam.

Van vaders naar partners is een hele stap, maar Slots gebruik van het Blauwbaardmotief heeft veel weg van een verschuiving en verdichting van beelden en betekenissen. Het is de taal van een angstdroom die verhult waar het in wezen om gaat in deze roman, namelijk de plaats die je inneemt in het leven van een belangrijke ander. Want Maria's argwanende reactie op het slagveld van de liefde in Edu's werkkamer, even goed geconserveerd als zijn werkveld Pompeji, lijkt de logische uitkomst te zijn van de vraag: als je vader vervangen kan worden door een ander, hoe zit het dan met de waarde die je voor je partner hebt? Ben je even gemakkelijk inwisselbaar? Het vervolg van 'Blauwbaard' lijkt op deze vraag een instemmend antwoord te bieden. Maria's cliënte Erinna, die niemand anders blijkt te zijn dan Edu's oude vlam Rianne, zal haar vroegere geliefde weer voor zich terug weten te winnen. In het geval van Erinna/Rianne, die overigens het meest kleurrijke personage is in deze roman, maakt Slot het wel erg bont als het om de familiaire achtergrond gaat. Hier produceert zij zuivere kitsch als zij Rianne, dochter van een bij haar geboorte overleden kindmoeder, bij het graf van haar moeder haar biologische vader laat ontmoeten.

Het verborgen leidmotief van 'Blauwbaard' dat de sleutel vormt tot het 'geheim' van Slots roman, zou daarom met goed recht de 'tijdkoepel' Pompeji genoemd kunnen worden, een metafoor voor afgekapselde herinneringen en psychisch leven. Freud gebruikte deze metafoor in zijn essay 'Konstruktionen in der Analyse' (1937) waarin hij de psychoanalyticus vergeleek met een archeoloog, die echter vaker dan deze hele stukken verleden goed geconserveerd terugvindt. Want inwisselbaar en verruilbaar blijken ten slotte in deze roman niet alleen vaders te zijn, maar ook partners. De geschiedenis lijkt zich te herhalen als Maria tijdens een congres in Zweden een nieuwe geliefde ontmoet, en omdat Edu zich heeft laten betoveren door Rianne, naar haar land van herkomst emigreert. Voor literatuurwetenschappers vormt 'Blauwbaard' ongetwijfeld een interessante puzzel, maar hopelijk valt Pauline Slot een volgende keer niet in herhaling.

mailIcon print |