*

 

Het Bureau blijft raadsel

Peter Henk Steenhuis − 24/01/00, 00:00

opinie De voorstelling 'Maarten en Nicolien' wekt begrip op voor de afvalligen die na één deel van 'Het Bureau' te hebben gelezen de daaropvolgende boeken in de boekhandel laten staan. In hun optiek gebeurt er niets in het magnum opus van J.J. Voskuil, zijn de beschrijvingen mager en de dialogen eindeloos veel van hetzelfde. Het verwijt is niet goed te weerleggen: 'Het Bureau' is bloedsaai - zonder een ogenblik te vervelen. Het is precies deze tegenstrijdigheid die de romancyclus fascinerend maakt en telkens opnieuw de vraag doet rijzen: waarom is dit zo mooi?

Wordt de romancyclus gekenmerkt door de gedetailleerde beschrijving van Maarten Konings dagelijkse werkzaamheden op het Amsterdamse A.P. Beerta-Instituut, in de voorstelling 'Maarten en Nicolien' is zijn kantoorleven alleen op de achtergrond aanwezig, als een constante dreiging en als een bron van conflicten.

Centraal in het toneelstuk staan de gesprekken tussen Maarten en Nicolien, aangevuld met de bezoekjes van de moeder van Nicolien aan huize Koning. Opvallend is dat de discussies tussen Maarten en Nicolien op het toneel plotseling ludieker lijken dan in het boek - al kan dit ook aan het publiek hebben gelegen, dat elke nieuwe woordenwisseling met herkenningsgelach onthaalde.

Hun ruzies zíín ook komisch, maar in 'Het Bureau' zijn ze méér dan komisch: ze tonen dat het schier eindeloze bureauwerk, met al zijn bureaucratische rompslomp, idiote gesprekken en zinloze congressen, zich niet afspeelt in een kafkiaanse wereld maar in de dagelijkse werkelijkheid, waar thuis, na vijven, gekibbeld wordt over de aanschaf van een roeimachine. Bovendien geven de dialogen inzicht in de zwakke keerzijde van Maarten Konings karakter, die op zijn werk de baas mag zijn maar thuis telkens opnieuw verbale klappen oploopt, terwijl hij alle gelijk van de wereld lijkt te hebben.

Door op het toneel slechts één kant van Maarten te tonen wordt zijn personage een typetje. In nog sterkere mate geldt dit voor Nicolien en haar moeder, het zijn oppervlakkige karakters om wie het goed lachen is.

En tegen de tijd dat de moeder zo dementeert dat er weinig meer te lachen valt, is het toneelstuk te lang grappig geweest om nog van karakter te kunnen veranderen en schrijnend te worden.

Hoe goed Helmert Woudenberg, Shireen Strooker en Marja Kok, leden van het voormalige Werktheater, de dialogen ook verwoorden, en hoe zeer weer opvalt dat het meesterlijke dialogen zijn, gaandeweg de voorstelling wordt duidelijk dat het niet de relatie tussen Maarten en Nicolien is die deze 5500 pagina's tellende roman zijn kracht geeft. 'Het Bureau' kan niet zonder het Bureau.

Deze constatering roept de vraag op wat de reden is dit stuk te spelen, als je er althans van uitgaat dat een feest van herkenning geen rechtvaardiging genoeg is. Het opmerkelijkste verschil met het boek is de subtiele perspectiefwisselingen, waardoor we plotseling Nicolien turend voor het raam op haar man zien staan wachten. In het boek zou een dergelijke scène altijd gezien en van commentaar voorzien worden door Maarten Koning.

Ineens besef je dat 'Het Bureau' duizenden pagina's lang een monomaan beeld van de wereld geeft, niets ontsnapt aan het oog van Maarten Koning, nergens wordt de lezer de kans geboden diens subjectieve waarnemingen te controleren.

Deze monomanie is ook de kracht van de roman; een perspectiefwisseling zou de lezer doen concluderen dat niet Konings wereld maar Koning zelf vreemd is, wat de roman psychologisch zou maken en minder beklemmend. De perspectiefwisseling die op het toneel wordt toegepast, doet eerder afbreuk aan de sfeer dan dat zij iets toevoegt.

Dat kan zeker niet gezegd worden van de meesterlijke gebaartjes van de moeder van Nicolien, die komen op het toneel beter tot uitdrukking dan in de roman: de kinderlijke en kindse hand waarmee ze haar dominostenen aan het zicht van haar dochter wil onttrekken, vat haar aftakelingsproces prachtig samen, en niets zou haar angst voor gekibbel beter kunnen tonen dan het nerveus trillende voetje waarmee ze 'het kind' probeert aan te stoten, om het te manen een discussie te staken.

Niet de dialogen maken 'Maarten en Nicolien' de moeite waard, maar de spaarzame gebaren die het beeld dat waarschijnlijk alle toeschouwers al van de personages hebben nog een tikje completer maken. Onbedoelde maar prettige bijwerking is dat het toneelstuk het raadsel over de grootheid van Voskuils romancyclus alleen maar vergroot.

Hoe kunnen personages die je voor het eerst in levende lijve ziet, plotseling tot typetjes verworden? Hoe kunnen dialogen die 5500 pagina's lang geen moment vervelen na anderhalf uur toneel wél gaan vervelen? Waarschijnlijk is 'Het Bureau' alleen als raadsel afdoende verklaard.

mailIcon print |