recensie George Steiner (1929) is beroemd als een veelzijdige geleerde, filosoof en literator die er soms parmantige opinies op na houdt, onder andere over de hoogleraar als eigengereide en weerbarstige eenling. Ik heb de indruk dat hij zelf royaal voldoet aan dit criterium; en het zou een zegen voor onze cultuur zijn als het op grotere schaal werd gehanteerd. Het is niet alleen een genoegen naar hem te luisteren, maar het is ook buitengewoon prikkelend en inspirerend.
In zijn boek over Antigone-figuren in de literatuur blijkt hij alles van tragiek en verdriet te weten. En in zijn autobiografisch werk wordt duidelijk dat hij dit niet alleen weet uit de talloze boeken die hij verslindt. Hij is als vroegwijs kind ontsnapt aan de verschrikkingen van de holocaust. Juist hiernaar en naar de intellectuele en emotionele verwerking daarvan gaat de gretige belangstelling van Wim Kayzer uit in zijn prachtige serie over schoonheid en troost, die zich tot nu toe voorbeeldig aan de titel van het project blijft houden. De serie lijkt wel gemaakt te zijn voor iemand als Steiner en voor het soort van uitspraken dat hem als vlokken van de precieuze lippen dwarrelt. ,,Schoonheid en troost zijn partners in een dans.' ,,Het bezit van een goed geheugen is een grote troost.' ,,Wij zijn wat we ons herinneren.' ,,Het feit dat er een Schubert was, is misschien een excuus voor de rest van ons.'
Evenmin als bij een vorige gelegenheid, toen Kayzer een aantal schrijvers interviewde, liet Steiner zich nu imponeren door het diploma lagere akte biechten waarmee die op gezette tijden zwaait. Hij heeft betere papieren, vooral veel papieren. Want hij is een klassiek boekenmens. Het gesprek begint dan ook terwijl Steiner in zijn boekenkast een tekst opzoekt van Hemingway die hij zo meesterlijk vindt omdat hij alles zegt zonder iets te zeggen, maar hem wel de gelegenheid geeft alles uit te leggen. En op de achtergrond zien en horen wij een lawaaierige kermis in de buurt van zijn huis. Wel een beetje erg didactisch, als de ongrijpbaarheid van de wereld gedemonstreerd moet worden.
Steiner zit nooit verlegen om een erudiet betoog. Hij hoeft schijnbaar maar op een knopje te drukken om de machine op volle toeren te laten draaien. En die machine draait voor een deel op citaten. Wanneer hij dan ook zijn relaas begint met de uitspraak 'je stelt mij een verschrikkelijke vraag', wekt hij meteen de indruk te zinspelen op Vergilius die zijn held Aeneas tegenover Dido die hem naar zijn lotgevallen vraagt, laat zeggen: ,,U vraagt mij, majesteit, een onzegbaar leed weer op te rakelen.' Bij Steiner lijkt overigens weinig onzegbaar te zijn en alles literatuur te worden.
Een enkele keer wekt zijn talent bij deze minder gezegende toeschouwer de indruk dat de routine zo groot is dat de pose moeilijk nog van echtheid te onderscheiden is. Maar het is moeilijk in te zien, op welke andere manier een zo overstelpende hoeveelheid aan kennis en persoonlijke impulsen nog te ordenen zou zijn.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.