recensie Op 23 november vorig jaar hield Willem Jan Otten een 'Rede tot de verachters van de christelijke religie' waarin hij zijn recente bekering tot het katholicisme verdedigde. (Zie Letter & Geest van 27.11.99). De schrijfster Carl Friedman vond in Ottens tekst echter ,,geen spoor van christelijkheid''. Zelf afkomstig uit een andere traditie, moet zij constateren: ,,Bij zo veel opzienbarends en opwindends steekt mijn geloof armzalig af.''
Van alle boeken van de Heilige Schrift is het boek Prediker me het liefst. Het is kort maar krachtig. Brahms ontleende aan Prediker zijn Vier ernste Gesünge en de popgroep The Byrds liet zich erdoor inspireren tot het nummer Turn, turn, turn. Miljoenen mensen, onder wie veel lieden die de Schrift zelfs met geen tang zouden willen aanvatten, gebruiken in het dagelijkse leven zinsneden die uit het boek Prediker afkomstig zijn. 'Alles is ijdelheid.' 'Er is niets nieuws onder de zon.' 'Wat krom is kan niet worden rechtgemaakt.'
Prediker is bovendien een van de zeldzame bijbelboeken waarin sprake is van ironie. 'Wees niet al te rechtvaardig en houdt uzelf niet voor al te wijs,' zo heet het in Prediker 7:16. 'Waarom zoudt gij uzelf tot verbijstering brengen?' Het zijn woorden die je eerder verwacht aan te treffen bij Simon Carmiggelt of Kees van Kooten dan in de Heilige Schrift. Hier wordt op aanstekelijke wijze de spot gedreven met de menselijke zelfingenomenheid.
Het betreffende vers uit Prediker schoot me te binnen, toen ik het zopas verschenen boekje van Willem Jan Otten las. Het is Een rede tot de ontwikkelden onder de verachters van de christelijke religie, die Otten in november 1999 heeft uitgesproken aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Hij deed dat in navolging van Friedrich Schleiermacher. Deze Duitse theoloog hield in 1799 een aantal verhandelingen waarin hij de religie, die hij beschouwde als een kwestie van het gevoel, in bescherming nam tegen de kritiek van het verstand. Genoemde verhandelingen verschenen destijds in druk als Redes over de religie voor de ontwikkelden onder haar verachters.
Otten, van huis uit een verstandsmens, heeft in de voorbije jaren een geestelijke verandering doorgemaakt, die uitliep op zijn bekering tot het christelijke geloof. Hij liet zich dopen en trad toe tot de rooms-katholieke kerk. Zijn metamorfose werd hem niet in dank afgenomen door vroegere gelijkgestemden, die hem beschouwen als een overloper naar het vijandelijke kamp. In zijn betoog, dat bijna veertig pagina's beslaat, legt hij aan deze sceptici uitvoerig rekenschap af van zijn bekering en zijn motieven daarvoor.
Otten voelt zich door de geestverwanten van destijds afgewezen en geminacht. Hij beklaagt zich vooral over een artikel van de essayist Rudy Kousbroek, dat in januari 1997 in NRCHandelsblad is verschenen. Naar dit artikel verwijst Otten als 'het honend stuk' waarin hij door Kousbroek werd verjaagd uit 'de kerk van zijn Handelsbladse Rede'. De kwestie zit hem hoog. Niet alleen is hij verbolgen over het dédain van Kousbroek en consorten, hij beschuldigt hen zelfs indirect van moord. Daarbij redeneert hij als volgt: Wanneer naasten blijk geven van minachting voor je geloof, maken zij je geloof dood. Met je geloof doden zij, op symbolische wijze, ook jou. Je sterft een symbolische dood, een verschrikkelijke dood, want je wordt door hen levend begraven. Als gevolg van hun afwijzing zal je overtuiging 'oneindig verkommeren', zo niet 'verkwijnen'. Aldus Otten.
Bijna zouden ons de tranen uit de ogen wellen van medelijden. Allemachtig, wat wordt die Willem Jan Otten zwaar beproefd. Nauwelijks heeft hij zich laten dopen, of zie, de vijanden des geloofs lopen te hoop om zijn overtuiging te doen verkommeren en hem levend te begraven. Maar is het niet bizar om buitenstaanders verantwoordelijk te stellen voor de mate waarin men zelf al dan niet gelooft in God? Wat is de overtuiging van Otten waard, wanneer die zo gemakkelijk verkwijnt?
Het boekje bestaat voor vijftig procent uit wrok en voor de rest uit citaten. Er zijn citaten van bijvoorbeeld Dostojevski en Pascal, W.H. Auden en C.S. Lewis, Joseph Conrad en Les Murray, Shusaku Endo en Romano Guardini, Gerard Reve en Julien Green. Op deze citaten leunt het betoog van Otten, zoals een kreupele leunt op krukken. Ze houden zijn verhaal overeind, maar het blijft opvallend mank. Dat komt doordat Otten hinkt op twee gedachten. Enerzijds spant hij zich tot het uiterste in om de verachters van de christelijke religie voor zich te winnen. Hij zet uiteen hoe hij langzaam toegroeide 'naar de Doop, en dus de beaming van het Credo, en de opname in de Kerk en haar Sacramenten'. Anderzijds beledigt en ontmoedigt hij zijn toehoorders door hen te beschuldigen van onbegrip en onverschilligheid. Nu eens zegt hij verwijtend: 'Het is duidelijk, het heeft geen zin om met u te praten over de inhoud van de christelijke religie', dan weer: 'Het is alle-maal uw pakkie niet an', of: 'De hele hokuspokus (...) laat u koud als een washand'.
Als hij zo stellig overtuigd is van de bekrompenheid van zijn toehoorders, waarom spreekt hij die dan met zoveel omhaal toe, en waarom heeft hij dan de tekst van zijn betoog in boekvorm laten verschijnen? Waarom slaat hij zo'n verongelijkte toon aan, terwijl hij beweert dat hij van het rooms-katholieke geloof vervuld is en dat de gedachte aan de gekruisigde Jezus van Nazareth hem niet loslaat?
,,Het is onmogelijk om over geloven te spreken zonder het over bidden te hebben'', zo zegt hij. ,,Het is (...) het vreemdste wat een mens kan overkomen. Het is precies wat verachters het onverklaarbaarst en primitiefst vinden, temeer daar het bij veel christenen gepaard gaat met door de knieën gaan. Letterlijk.'' En wat verder heet het: ,,Omdat er in de vrede van de wereld geen vrede heerst, moet het hout worden gedragen''. Woorden, woorden, woorden bevatten die veertig pagina's, maar geen spoor van christelijkheid. Otten gaat niet door de knieën. Otten is niet bereid het hout te dragen.
Het is deze dubbelzinnigheid over de hele linie, die het boekje onverteerbaar maakt voor zowel ontwikkelde verachters van het geloof als voor gelovigen die niet op hun achterhoofd zijn gevallen. De lezer moet zich bedwingen om niet ongeduldig uit te roepen: Man, wat beoog je eigenlijk? Wil je leven als christen? Doe dat dan, maar maak er geen theater van!
Is de rede van Otten eigenlijk wel gericht tot de verachters van de christelijke religie? Of hebben we hier te maken met een exclusieve rede tot Rudy Kousbroek? De naam van Kousbroek valt meer dan eens. Sinds Otten zich spinnend in de schoot van de Moederkerk heeft genesteld, wordt hij door Kousbroek niet langer als aaibaar beschouwd. Hij slaagt er niet in zijn teleurstelling hierover te verhullen.
Vooral wat hij schrijft over Pasen en de kruisiging van Jezus Christus is voer voor psychologen. Zo wijst hij bijvoorbeeld op de innerlijke tegenstrijdigheid van de beroemde laatste woorden: 'Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?' Indien Jezus zich in zijn stervensuur werkelijk door God verlaten waande, zo stelt Otten, waarom riep hij in zijn verlatenheid dan toch deze God aan? Omdat Jezus 'tot het bitterste einde toe' in God bleef geloven, aldus Otten. Dat is 'het tergende en ongelooflijke' van het lijdensverhaal.
Het kan de lezer onmogelijk ontgaan, dat de toespraak van Otten in de grond een zelfde wanhoopskreet is aan het adres van Kousbroek. Eli, Eli, lama sabachtani. Niet alleen klinkt de uitroep welhaast net zo smartelijk als die van Jezus aan het kruis, maar ook even tegenstrijdig. Want waarom zou Otten, in zijn hoedanigheid van belijdend christen, nu juist omarmd willen worden door degene die hij beschouwt als de verachter bij uitstek van zijn religie? Zulks is alleen maar verklaarbaar wanneer hij zich tot Kousbroek verhoudt als de Zoon tot de Vader. Net als Jezus, zo schijnt het, voelt Otten zich door de betreffende Vader ten diepste verlaten. En net als Jezus schijnt hij desalniettemin zijn geloof in deze Vader te hebben behouden. Dat is, met zijn eigen woorden, het tergende en ongelooflijke van dit boekje. Veertig pagina's lang wringt Otten zich in bochten om zijn aaibaarheidsfactor op te vijzelen.
Otten tracht begrijpelijk te maken hoe moderne katholieken zich kunnen engageren met een kerk die voorbehoedsmiddelen en abortus blijft verketteren. ,,Voor veel bewuste, belijdende christenen kan de kerk (...) een even kwellende spanning opleveren als een kind: je houdt ervan, het heeft je geraakt waar geen ander je heeft geraakt, het eist je om zo te zeggen hoe dan ook op -en toch kan het zich door de wereld bewegen op een manier waar je van huivert.'' Het feit, zo zegt hij, dat hij is toegetreden tot deze kerk betekent niet vanzelfsprekend dat hij de denkbeelden van elke priester en iedere bisschop deelt. Hij legt uit dat hij worstelt met de 'soms reactionaire en dikwijls bangelijke, lustbevreesde geloofsuitleg' van geestelijken. Maar evenzeer worstelt hij met het onbegrip van buitenstaanders, die iedere discussie over zijn geloof herleiden tot de kwestie van 'de condooms in Afrika'.
Telkens weer vervalt hij tot wanhoop. Telkens weer beseft hij dat zijn uitleg nutteloos is. Dit kan hij als geen ander weten, aangezien hijzelf tot voor kort een verachter van de christelijke religie is geweest. Nog maar al te levendig herinnert hij zich hoe hij destijds over gelovigen dacht. Hij vond hen beklagenswaardig, schuw, onvrij. Hij beseft dat zijn vrienden van weleer nu net zo oordelen over hem. ,,Voor u, die erover denkt zoals ik erover heb gedacht, betekent dit alles dat ik een laf leven in leugen verkies boven een moedig leven in het realiteitsprincipe. Maar de artikelen van mijn geloof zijn geen leugens. Mijn geloof zegt helemaal niet dat het leven goed is, terwijl iedereen kan zien dat er gevlucht, gefolterd en gecrepeerd wordt. Ik ben niet plotseling met mijn rug naar Auschwitz gaan staan, laat staan dat ik ben gaan beweren dat de Holocaust eigenlijk zin had.''
Al met al krijgt de lezer een weinig vrolijk beeld van de geloofsbeleving van Otten. Ik ben geen verachter van de christelijke religie, net zo min als van enige andere religie. Ik ben zelf een gelovige, zij het een gelovige zonder kerk. Maar mijn geloof vertoont nauwelijks overeenkomst met dat van Otten. Vooral de weg tot zijn bekering beschrijft hij als buitengewoon moeizaam en kommervol. De weg in kwestie, zo vertelt hij, was 'grondelozer' en 'huiveringwekkender' dan men kan denken. Hij verkeerde in een toestand van 'splijtende ellende'. Bij elke stap worstelde hij met zijn overtuiging, 'een organisme ademend om een mysterie'. Tenslotte, toen hij meende dat hij het ergste had gehad, bleek de grootste hindernis nog voor hem te liggen. Hij stond aan de oever van wat hij noemt de 'Rubicon van de Doop'. En daar moest hij overheen! Otten: 'Liefst was ik bewusteloos geslagen en gedoopt ontwaakt.' Ja, dat kan ik me voorstellen. Wie zou, in splijtende ellende gedompeld, niet bewusteloos willen raken?
Bij zo veel opzienbarends en opwindends steekt mijn geloof armzalig af. Het is niets om over naar huis, laat staan om een boek over te schrijven. Zo'n boek zou geen aftrek vinden. Daarvoor is mijn overtuiging te weinig grondeloos en lang niet huiveringwekkend genoeg. Een organisme ademend om een mysterie? Zoiets heb ik van mijn levensdagen nog niet gezien. Nou ja, misschien wel eens in een sciencefictionfilm. Maar bij nadere beschouwing bleek het een gelatinepudding te zijn in slowmotion.
Mijn geloof is een heel alledaags geloof, zonder special effects. Het valt me niet zwaar, het weegt zo weinig, ik merk nauwelijks dat ik het bij me heb. Ik ben niet bevreesd dat het zal verkommeren of verkwijnen. Ik voel ook niet de behoefte het publiekelijk te belijden. Als kind leerde ik van mijn moeder dat er twee onderwerpen van gesprek zijn, die men in gezelschap fatsoenshalve dient te vermijden: het weer en God. Ze heeft daarvoor nooit een bepaalde reden opgegeven, maar zo jong als ik was voelde ik die op mijn klompen aan. Over het weer moet men zo min mogelijk spreken omdat dat banaal is. En over God moet men zo min mogelijk spreken omdat men hem daarmee banaal maakt.
Praten over God, het is iets waarin we niet terughoudend genoeg kunnen zijn. Immers, waarom zouden we onszelf, zoals de Prediker het zo treffend heeft gezegd, tot verbijstering brengen?
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.