recensie De Amerikaanse journalistiek bevindt zich in een crisis. In de tijd van Watergate werden journalisten bewonderd, sinds de tijd van Clintons debacle niet meer. Uitgeput en verwilderd dralen de reporters achter het nieuws aan.
Talloze talkshows moeten worden gevuld, presidenten lanceren op hun voorlichtingsbijeenkomsten geruchten om de aandacht van het beleid af te leiden en op internet dient zich een ongecontroleerde informatiestroom aan, waardoor nieuwsfeiten niet meer op hun waarde kunnen worden getoetst.
Algemeen heerst de opvatting dat de pers in haar verslaggeving van de affaire-Lewinsky haar onafhankelijkheid tegenover de macht verzaakt heeft. De geruchten over het schandaal die op internet gepubliceerd werden, noopten journalisten achter feiten te lopen waarvan zij het waarheidsgehalte amper konden vaststellen.
De journalist van vandaag de dag is een geheel andere dan die van twintig jaar geleden. Toen kon een televisieverslaggever het leeuwendeel van de dag aan een bericht werken. Zijn redactie kon er in veel gevallen op vertrouwen dat een primeur 's avonds, bij aanvang van de nieuwsuitzending, nog altijd vers was. Er was tijd om het verhaal in de loop van de dag scherpte en diepte te geven.
In 'Clinton's Demonen' stellen Hilde Eleveld en John Wanders vast dat de audiovisuele media in de VS geen tijd meer hebben voor journalistiek handwerk. Exclusieve berichten zijn in die media niet meer aan te treffen. Ze lekken in een vloek en een zucht weg naar andere omroepen, waarvan sommige de informatie binnen seconden voorschotelen aan het publiek.
De druk op nieuwsorganisaties om de eerste te zijn, is groter dan ooit. Het verhoogt niet alleen de kans op missers, maar vergroot ook het aantal daarvan. ,,Het elektronisch universum is 24 uur van de dag geopend en het werkt als een centrifuge. Een non-issue -misschien een gerucht dat opdook in een ontbijtshow- tuimelt in de centrifuge. Onmiddellijk slingert het door het elektronisch universum en rond lunchtijd heet het een 'feit'.''
Op het eerste gezicht zou je een boek over Clinton en de affaire-Lewinsky af kunnen doen als mosterd na de maaltijd. Gelukkig bespreken de auteurs de affaire efficiënt en concentreren ze zich voornamelijk op de vraag hoe de pers zich zo achter de kar van een beweging kon scharen die zich tot doel stelde Clinton ten val te brengen.
Een belangrijke rol in dezen speelde huns inziens de spin doctor. Deze media-infiltrant probeert informatie te ontfutselen aan politici, journalisten en andere politiek betrokkenen, geeft er een eigen draai aan en laat 'zijn' nieuwsfeiten vervolgens strategisch uitlekken. De spin doctor beschikt over een uitgebreide trukendoos. Met uitzondering van de aperte leugen is elk middel toegestaan. Het strategisch lekken van vertrouwelijke informatie is zijn belangrijkste wapen.
Dat politici, de president voorop, snel slachtoffer kunnen worden van een ongewenste informatiestroom, moge duidelijk zijn. Maar kunnen Clintons moeilijkheden louter toegeschreven worden aan de journalistiek, aan de commercialisering van de media?
Amerika is een televisie-maatschappij en het Amerikaanse presidentschap is een media-presidentschap. Clinton heeft ook veel te danken aan de journalistiek, zijn beleid is gebaseerd op een voortdurende stroom van opiniepeilingen en als comeback Kid wist hij zich met hulp van de media bewonderenswaardig te herstellen.
In zijn pasverschenen 'Dollars, macht en idealen' geeft Willem Post haarfijn aan dat het Amerikaanse presidentschap gekenmerkt wordt door een dubbelzinnigheid. Ook hij constateert dat Clintons moeilijkheden niet los van het wilde gedrag van de media kunnen worden gezien.
Tevens benadrukt hij dat Amerikanen op een tweeslachtige manier met het presidentschap omspringen -een reden waarom er zo ambivalent over de eerste burger in het Witte Huis gerapporteerd wordt. In het land zonder koningen moet de president een plaatsvervangend, samenbindend en verheven symbool zijn, een teken aan het firmament waarvan de macht afstraalt op het volk.
Maar de president is ook one of us. Presidenten maken deel uit van de massacultuur, in de souvernirshops ligt naast een Disney-aandenken een buste van een president.
Posts schets van de geschiedenis van het Amerikaanse presidentschap laat duidelijk zien aan welke verandering de verhouding tussen de pers en de president onderhevig is. Waar Roosevelt de in een depressie verkerende natie met zijn radiopraatjes moed wist in te spreken en Truman met een trein het land doorreisde om de Amerikanen aan zich te binden, gebruikte Eisenhower de persconferenties in het Witte Huis om de journalisten van zijn weinige beleidsvoornemens op de hoogte te brengen. Tijdens Kenndy's bewind werden journalisten in het Witte Huis in de watten gelegd en dit verklaart onder andere waarom over zijn opvolger, Johnson, bij voorbaat negatiever bericht werd.
Natuurlijk hadden de oorlog in Vietnam en de protesten daartegen een grote invloed op het wel en wee van de Amerikaanse journalistiek. Johnsons bekendmaking dat hij niet zou opteren voor een tweede termijn, werd door de journalistiek als haar indirecte overwinning op de macht beschouwd.
Om nog maar te zwijgen van de journalistieke onthullingen over Watergate. Voor talloze journalisten waren Carl Bernstein en Bob Woodward het lichtende voorbeeld van investigative reporting, onderzoeksjournalistiek. De bestseller 'All the President's Men', over de jarenlange belegering van president Nixon, werd het lijfboek van elke journalist die gebiologeerd werd door de structuren van de macht. De politiek was de plaats waar een journalist moest zijn.
Sinds de jaren tachtig, waarin Reagan aan de macht kwam, lijkt het gilde van Amerikaanse journalisten geleidelijk zijn greep op de informatie kwijt te zijn geraakt. Post laat duidelijk zien hoe Reagan en zijn pr-functionarissen de journalisten om hun vingers wonden en hoe Reagans presidentschap geen ruimte liet voor kritische journalistiek.
Sterker, 'Dollars, Macht en Idealen' geeft zo'n haarfijne analyse van het Amerikaanse presidentschap dat de conclusie zich opdringt dat niet de media, maar de kwaliteit van het presidentschap bepalend is voor de manier waarop over de eerste burger in het Witte Huis bericht wordt.
Verder geldt wat koningin Beatrix over de Nederlandse pers zei, in elk geval voor de Amerikaanse: de commercialisering van de media werkt een oppervlakkige verslaggeving in de hand. Internet, ontbijtshows, 24-uur-channels, ze vullen de ether met een continue berichtenstroom waardoor een nieuwsfeit er amper meer uitspringt.
Het meest illustratief voor de hot-news-sfeer was dat derden het Starr-rapport op hetzelfde moment konden raadplegen als de verdachte zelf. De vraag dringt zich dan ook op, of Clinton in de nesten zou zijn geraakt als hij niet in een informatie-tijdperk geleefd had. Posts historische analyse van het Amerikaanse presidentschap wekt het vermoeden van niet.
Bekend is dat menig president in Amerika jegens het zwakke geslacht een gedrag tentoonspreidde dat het daglicht niet kon verdragen. Geruchten over zulke misdragingen konden voorheen door presidentiële medewerkers in een vroeg stadium gelokaliseerd en geneutraliseerd worden, maar nu niet meer. Kortom, als in de Amerikaanse pers niet de leugen regeert, dan toch in elk geval een 'waarheid' die vaak onvoldoende op haar feitelijk krakter getoetst is.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.