*

 

Gereformeerde neergang door zelfverheffing

Greven − 18/01/00, 00:00

recensie Nog even terug naar de vorige eeuw. Aan de hand van Katern VIII, een 'cultureel jaarboek' onder redactie van Bert de Jong, Klaas de Jong Ozn, Kees Vuyk en Jan Wagner. Zij vroegen een aantal mensen naar de voor hen belangrijkste gebeurtenis uit de vorige eeuw. Welk criterium hun voor ogen gestaan heeft bij de keus van juist die mensen en niet andere, wordt niet precies duidelijk. Dat is jammer, want daarom heeft het geheel iets willekeurigs. Voor een krant is dat niet erg, voor een jaarboek wel.

De theologen, C. Graafland, G.H. ter Schegget en A.A. Spijkerboer zijn (toevallig?) alle drie hervormd. Hun bijdragen vond ik het interessantst, omdat zij, misschien ook door hun onderwerp - kerk en theologie - weten uit te stijgen boven het al te persoonlijke. Bij een aantal anderen is dat niet het geval. Met als gevolg dat hun bijdrage niet meer oplevert dan een persoonlijk verhaal over een of andere ingrijpende ervaring in hun leven. 'O, dat zal wel', denk je wanneer je dat leest. Met soms ook nog iets van sympathie. Maar veel verder komt het niet.

Op bovengenoemde theologen kom ik zo terug, maar eerst vermeld ik nog de bijdrage van Ad den Besten over poëzie. Hij noemt Gerrit Achterberg als de grootste 'gebeurtenis' van deze eeuw en vergelijkt de wijze waarop Achterberg in zijn gedichten zaken te voorschijn roept met de wijze waarop God in Genesis 1 de dingen tot leven riep.

Tegelijk constateert hij dat Achterberg in deze moderne tijd 'gegeven ons kille geestelijke klimaat' absoluut niet meer gewaardeerd wordt. Sterker nog, hij bespeurt in de hedendaagse poëzie geen animo meer om, zoals Achterberg probeerde, 'het onmogelijke' te articuleren, dat 'alleen als poëzie te zeggen is en alleen als poëzie kan bestaan'. Als dat soort poëzie helemaal zou verdwijnen, is het voor Den Besten met de poëzie over en uit.

Een sombere conclusie van iemand die zijn leven lang door poëzie gefascineerd geweest is.

Graafland, Ter Schegget en Spijkerboer staan ieder voor een richting in de hervormde kerk. Graafland was als gereformeerde bonder hoogleraar aan Utrechtse theologische faculteit. Ter Schegget (Leiden) hoort tot de maatschappijkritische richting en Spijkerboer (predikant) heeft altijd het midden van de kerk gezocht. Hun geestelijke positie bepaalt ook hun keus voor de belangrijkste gebeurtenis van de eeuw.

Voor Graafland is dat de opkomst en ondergang van de gereformeerden. En dan niet alleen van de 'gewone' gereformeerden, maar ook van de 'betere' gereformeerden, waartoe hij zichzelf ook rekent (enige neiging tot zelfverheffing valt bij gereformeerden, of ze nu tot de categorie 'gewoon' of 'betere' behoren, wel vaker te bespeuren). Graafland ziet dat op- en ondergaan als het onvermijdelijk gevolg van zelfverheffing bij Kuyper, de grondlegger van de 'gewone' gereformeerde kerk. Kuyper dacht de gereformeerde orthodoxie te kunnen redden. ,,En wie dat denkt, grijpt er naast. Hij schiet te kort. Hij probeert hoog te klimmen, maar hij valt des te dieper.' Sombere zinnen met een betrekkelijk hoog 'eigen schuld, dikke bult' gehalte.

Een toon die ook spreekt uit Graaflands analyse van de huidige situatie, waarin hij bijvoorbeeld in de Amsterdamse Keizersgrachtkerk slechts 'onogelijke groepjes mensen' ontwaart, 'die ook nog overal vandaan komen.' En dat terwijl de 'vrije kerken' stampvol zijn. Volgens hem, omdat het daar gaat om 'het zaligmakend geloof'.

Eigenlijk zegt Graafland dat het wegvallen in de prediking van de persoonlijke betrokkenheid op het heil van God de neergang van de gereformeerden heeft bewerkt. Maar zou het bij het 'onogelijke groepje' in de Keizersgrachtkerk dan niet gaan om persoonlijke betrokkenheid op Gods heil? Inderdaad kun je historisch constateren dat kerken die bloeien vol zitten met mensen, die een persoonlijke betrokkenheid voelen tot God. Maar betekent dat omgekeerd ook, dat kerken die teruglopen niet bevolkt worden door mensen die zo'n persoonlijke betrokkenheid voelen? Natuurlijk niet.

In zijn analyse proef ik bij Graafland iets van de zelfoverschatting (de 'waren' daar, de 'onwaren' hier), die hij zelf bij Kuyper (ik heb overigens de neiging hem op dat punt bij te vallen) zag.

Resten nog Ter Schegget en Spijkerboer. Niet verrassend voor wie zijn werk kent, is het dat Ter Schegget Barth en Miskotte noemt als de theologen die hem beslissend hebben beïnvloed. Het zou pas echt spectaculair geweest zijn, als hij deze twee niet direct in één adem genoemd had. Daarnaast was de schokkende aanblik van de slums in Venezuela een bepalende factor in zijn leven. Evenals het voorbeeld van zijn vader, die als geestelijk verzorger in NSB-interneringskampen aan 'concrete humaniteit' de voorrang gaf boven religie.

De bijdrage van A.A. Spijkerboer tenslotte vind ik het verrassendst. Waarom, zo vraagt hij zich af, is de vernieuwing van de hervormde kerk na de oorlog (volgens hem de belangrijkste gebeurtenis van de afgelopen eeuw) op niets uitgelopen? En waarom is dat nooit eens grondig geanalyseerd? Bijvoorbeeld in verband met de bezinning op het proces van Samen-op-Weg. Vooral die laatste vraag blijft hangen. Waarom zou dat eigenlijk nooit gebeurd zijn?

mailIcon print |