*

 

Ontwikkelingsroman spiegelt tweede helft twintigste eeuw

Monica Soeting − 05/02/00, 00:00

recensie In 'Blue', de debuutroman van Anne Wiarda, speelt herkenning een grote rol. Tenminste, voorzover de lezer tot de eerste geboortegolf van na de Tweede Werldoorlog hoort, in de jaren zestig in de randstad opgroeide, en in de decennia daarop heen en weer geslingerd werd tussen rechts en links.

Het hoofdpersonage van deze ontwikkelingsroman is Vera de Vries. Als Vera met haar ouders van Amsterdam naar een voorstad van Den Haag verhuist, regelen haar ouders een vriendin: Ada. Ada maakt een diepe indruk op de onzekere Vera, want Ada komt weliswaar uit een vergelijkbaar milieu, maar verder wijkt Ada's gedrag in alles van dat van Vera af. Ada durft de onderwijzer uit te schelden, Ada pikt Vera's danspartner in, en als de vriendinnen op de universiteit belanden, verandert Ada van een conservatieve professorendochter in een linksdenkende alternatieveling, compleet met stekeltjeshaar op haar hoofd en kistjes aan haar voeten. Zodra het opportuun geworden is om weer een andere levenshouding aan te nemen, weet Ada zich perfect aan te passen en ontpopt ze zich tot wetenschapster. Zo vormt ze voor Vera, die voor eeuwig gedoemd is een buitenbeentje te blijven, een spiegel van de elkaar opvolgende trends uit de laatste helft van de twintigste eeuw. Vera, het prototype van een 'bleue' persoonlijkheid, weet zich binnen alle veranderingen nauwelijks staande te houden. Ze krijgt last van boulimia en laat zich koeioneren door haar verloofde die ze uiteindelijk aan Ada af moet staan. Haar leven lijkt even grijs te zullen aflopen als het ooit begonnen is. Zo eindigt 'Blue' als een omgekeerd 'picture of Dorian Gray': Ada, het spiegelbeeld, bloeit op, terwijl Vera, degene die zich altijd in anderen spiegelt, langzamerhand in het niets verdwijnt.

mailIcon print |