*

 

Momenten van schoonheid en troost

Cornelis Verhoeven − 15/07/00, 00:00

Een intellectuele krachttoer, gewaardeerd door een kleine schare: de VPRO-serie 'Van de Schoonheid en de Troost' scoorde op 28 late zondagavonden een kijkdichtheid van 0,9 procent en een waarderingscijfer van 7,9. Een van die weinige, maar waarderende kijkers was Cornelis Verhoeven.

Nu ik een poging wil doen met een niet al te omfloerste blik terug te kijken op de monumentale en originele televisie-serie 'Van de Schoonheid en de Troost' die Wim Kayzer voor de VPRO heeft gemaakt, en waarvan ik zeer genoten heb, weet ik niet wat voor mij zwaarder moet wegen: het vakwerk van de bekwame televiesiemaker of het denkwerk van de wijsgerige essayist. Omdat ik meen van het laatste meer verstand te hebben dan van het eerste, zal ik mij bij deze terugblik vooral daartoe beperken en aan de verdiensten van het camerawerk en de belichting misschien te weinig recht doen vergeleken bij wat mij in de serie als intellectuele prestatie opviel of tegenstond.

Laat ik het maar meteen zeggen: ook in dit opzicht, dus als stof tot nadenken, visueel aangeboden op een aangename manier, had de reeks heel wat te bieden en niet alleen door de verbale en visuele bijdragen van de geïnterviewden. Kayzer verstaat de kunst om in gesprekken zijn eigen ideeën tot hun recht te laten komen en daardoor zijn persoonlijk stempel op het geheel te drukken. Zonder dat zou het trouwens ook geen essay zijn geworden, maar een onsamenhangende reeks interviews, kunstmatig samengevat onder een overkoepelende en wat opgezwollen titel. Dat die intussen blijkbaar nogal imponeert en, naar ik hoor, door een zo pretentieus orgaan als de Raad voor de Cultuur in een lijvig rapport 'Van de Overvloed en de Armoede' is nageaapt, is maar een van de blijken van de armoedigheid die in ambtelijke kringen en hun tekstschrijvers troef is. Is dat nu lef of een zielig soort misplaatste nederigheid?

De serie van Kayzer is wel degelijk een essay geworden en zij heeft alle persoonlijke en eigengereide trekken die daar kenmerkend voor zijn en het genre aantrekkelijk maken. Op zijn minst moeten we zeggen dat de woorden 'schoonheid' en 'troost' met een mooie hardnekkigheid en enige aandrang telkens weer in de gesprekken naar voren gebracht zijn om toch weer even te herinneren aan het thema waar alles om begonnen was. Daarmee worden tegelijk ook de grenzen van het genre afgetast. Want die liggen niet vast. Maar dat is ook gebeurd op een manier die naar mijn smaak intellectueel niet helemaal bevredigend is. Misschien is dat onmogelijk, maar daar gaat het nu niet om: wie een thema aansnijdt en zo uitvoerig, zo veelzijdig, zo dringend en bij zoveel mensen aan de orde stelt, moet ook in staat zijn de chaos een beetje in te dammen en zijn eigen wanorde of zijn eigen vooroordelen niet als het volle leven voor te schotelen. Op de vraag 'wat is troost?' kan niet voortdurend met een relativerend schouderophalen worden geantwoord. Als de vraag in die termen wordt gesteld en in verband wordt gebracht met schoonheid, moet de mogelijkheid dat het helemaal niets is, van te voren al uitgeschakeld zijn. Maar ook dat punt is in de serie nu en dan aan de orde gesteld in de vorm van de vraag, of troost wel meer kan zijn dan een illusie. Anders zou het wel een heel naïeve bedoening zijn geweest. Er moet dus ook plaats zijn voor een boude en bitse uitspraak als die van Germaine Greer in de slotzitting: 'Wij horen ongetroost te zijn'.

Wat ik in elk geval heel positief waardeer is dat Kayzer, allicht ook onder de dwang van zijn medium en onder de indruk van de mogelijkheden die het biedt, in zijn essay tamelijk consequent heeft geweigerd de troost te behandelen als een literair genre of een puur verbale aangelegenheid, zoals dat eeuwen lang gebeurd is -voorzover wij althans weten, want we zijn aangewezen op schriftelijke bronnen. Bij troost gaat het uiteindelijk niet om woorden en redeneringen, hoe vernuftig, verleidelijk en vertederend die ook kunnen zijn, maar om het effect van een ervaring die ons al dan niet onder invloed van anderen en wat zij zeggen of zichtbaar maken, plotseling overvalt en die ons voor een ogenblik bevrijdt van een standpunt of een gevoel waarin we zijn vastgelopen.

Troost is niet wat iemand met zijn woorden of gebaren op eigen kracht bij een ander probeert te bewerken, maar wat door die ervaring feitelijk teweeg gebracht wordt. Er is een realiteit aan de orde die wij niet kunnen bedenken en waarvoor wij zwichten zodra we er oog voor krijgen.

Als we ons getroost voelen, voelen we ook een verandering in onze emoties, de plaats waar wij het meest toegankelijk zijn voor de buitenwereld. Die verandering moet wel te maken hebben met wat Aristoteles in zijn poetica heeft geschreven over de 'katharsis' van emoties als vrees en medelijden in verband met de Griekse tragedie. Wie over dit intrigerende en elementaire verschijnsel een recent en fundamenteel essay wil lezen, kan zich met vrucht verdiepen in de vertaling van dat werk met diepgaand commentaar die de uitnemende classicus en subtiele filosoof Ben Schomakers kort geleden bij Damon heeft gepubliceerd. Zelden krijg je een studie onder ogen waaruit de platitudes zo korzelig worden geweerd.

Om nu mijn eigen gedachtegang te volgen aan de hand van een ander voorbeeld: zolang ons verdriet nog een element van woede bevat en zich, in termen van Spinoza, richt op een uitwendige oorzaak, al dan niet anoniem, is het nog niet rijp voor vertroosting. Er is namelijk geen troost voor woede en die wil daar ook niet van weten. Zij is zelf al een soort van weten. Daarom zal in de waardering van revolutionaire geesten troost wel een soort opium zijn. Want er is pas troost voor verdriet, wanneer het element woede en zijn koppige weten daaruit is weggezuiverd en de hardheid haar eigen weekheid ontmoet en daarin weerloos wegzinkt.

Nu ik onwillekeurig toch bezig ben mij het thema toe te eigenen: mij dunkt zelfs dat de troost altijd het ogenblik zelf is waarop dit gebeurt of waarop het ons overkomt, en dat hij ook niet langer hoeft te duren dan dit beslissende moment. In dat korte ogenblik geneest de troost het verdriet dat hij zelf opwekt door het van de woede te zuiveren of in de woede het verdriet te ontdekken en haar voor te bereiden voor een verzoening.

Op een vergelijkbare manier brengt een cantate van Bach een ontroering teweeg die als een gave van de Heilige Geest onze dorheid besproeit, die voor de duur van het moment een geloof tot stand brengt en alles wat dat in zich heeft, de onvergetelijke ervaring dat het te mooi is om niet waar te zijn. De troost breekt de eigengerechtigheid die wij toch al begonnen te wantrouwen. En dan blijkt er geen troost te zijn zonder tranen: want troost is het moment waarop wij smelten en ons verzet opgeven.

Ik geloof inderdaad dat troost dit moment van omslag is, het punt waarop een verstarring week wordt en smelt. Het is niet een gebeurtenis die wij zelf kunnen veroorzaken, maar het gevoel te staan tegenover iets dat groter en overtuigender is dan wij kunnen bedenken, verklaren en uitleggen, en dat wij dan ook eerder in verband moeten brengen met wat in de serie soms 'verhevenheid' werd genoemd dan met schoonheid als een esthetisch gegeven. Bij schoonheid overvalt ons het gevoel dat wij worden uitgenodigd ons te verzoenen met wat er is en hoe het is; dat kan zich voordoen naar aanleiding van een kleinigheid, bijvoorbeeld een streepje in een tekening, zelfs bij een kleine fout die ons verzoent met het geheel. Bij verhevenheid kunnen we daar niet aan ontkomen en moeten we ons wel tegelijk nietig voelen en de uitverkoren getuigen van wat ons ver te boven gaat en waaraan we ons weerloos uitgeleverd voelen. Kenners kunnen in het werk van Bach of andere onontkoombare meesters passages aanwijzen, waarvan zij weten dat zij ondanks alle voorzorgen en deskundige scepsis, onherroepelijk door de knieën zullen gaan en voor een moment wegsmelten.

Een serie als deze zou een unieke gelegenheid geweest kunnen zijn om dit te onderzoeken en te demonstreren. Mogelijk hebben de atheïstische overtuigingen van de samensteller of zijn geloof in psychoanalytische bevindingen zich te sterk laten gelden om tot deze grens te gaan. Alsof de Geest, die heilig is, zich aan al die parmantige standpuntjes over God en de psychologie ook maar iets gelegen zou laten liggen. Hij waait waar hij wil, onvoorspelbaar en door geen hekjes of vakjes tegen te houden. In de meest interessante interviews van de reeks, bijvoorbeeld die met Stephen Gould en Freeman Dyson, leek Kayzer daar ook wel getuige van te willen zijn.

Zo'n moment van plotselinge helderheid en overladen volheid, nu en zonder uitstel of lege plekken, kunnen wij ons alleen maar voorstellen als een magisch en kortstondig halt tegen de vergankelijkheid die onze onvermijdelijke realiteit is en ons na elke verrukking weer onder haar meedogenloze regime weet te brengen. Wat eeuwig zou duren bevat niet zulke bijzondere, flitsende momenten en zou dus zo troosteloos zijn als een doorzonkamer. ,,Een bloem die eeuwig zou bloeien, zou afschuwelijk zijn'', zei Germaine Greer in de aflevering die zij helemaal voor eigen verantwoording nam en met deze uitspraak vulde. Nu de dood onherroepelijk een realiteit is en volgens een wat gemakkelijk troostende wijsheid 'gewoon' een onderdeel uitmaakt van het leven, lijkt de sterfelijkheid zelf ons de stof te bieden voor een vertroosting tegen de dood. Of, om Seneca te citeren, de ijverigste verbale trooster, maar zeker niet iemand die helemaal geen weet had van woede, verdriet en melancholie: ,,Er is geen grotere troost voor het sterven dan de sterfelijkheid zelf.''

Kortstondigheid en vergankelijkheid danken volgens deze aardse en seculiere wijsheid hun betekenis hieraan dat zij kansen scheppen voor een intensiteit van bestaan. De milde drang van de tijd kan de aandacht verscherpen voor wat nu aanwezig is. Eeuwigheid is ook een eindeloos uitstel, al weten we niet waarvan. De eindeloosheid is niet samen te ballen in momenten van geluk en gelatenheid. Zij veroordeelt ons tot een leven zonder hoop en zonder hoogtepunten. Misschien reiken wij wel van nature boven ons zelf uit; dat moet toch ook betekenen dat we onze natuur en onze identiteit kwijt raken zodra we daar terecht komen.

Maar ook deze serene troost is niet meer dan één moment: wie het nog een keer zegt of er een eeuwige waarheid van wil maken, geschikt voor de kalender en de herhaling, gelooft het zelf al niet meer en krijgt het gevoel van de nood listig een deugd te maken, zoals geroutineerde troosters wel vaker doen. De behoefte aan waarheid moet het uiteindelijk toch winnen van de behoefte aan troost. Want het blijft een paradoxale gedachte, een inval die geen stand kan houden, dat de deugd de nood dankbaar zou moeten zijn en dat verdriet uiteindelijk zijn betekenis zou moeten ontlenen aan de troost die het oproept, zoals de schaduw zijn bestaan dankt aan het licht.

mailIcon print |