recensie In de VPRO-televisieserie 'Van de schoonheid en de troost' van Wim Kayzer sprak de Engelse filosoof Roger Scruton zondag over sereniteit. Kayzer dacht, zo'n raar en vreemd begrip, dat zal wel uit de middeleeuwen stammen, en bracht meteen een kerk in beeld. De filosoof Cornelis Verhoeven begint zijn uitleg van het begrip bij Lucretius en bij 'het strakke blauw van een mediterraanse, Latijnse hemel in de morgen'.
Wie grondig wil reflecteren over de eigenschap en het woord 'sereniteit', heeft het op het eerste oog niet al te moeilijk. In elk geval hoeft hij niet te worstelen met veel dubbelzinnigheden in de betekenis daarvan en met de kronkels van allerlei historische ont- en verwikkelingen die het uitzicht zouden belemmeren. Want 'sereen' is van huis uit een mooi Latijns woord -serenus- voor de helderheid van de hemel; en het heeft zich via het Frans ook in onze taal gehandhaafd in de betekenis die het meer dan twee duizend jaar geleden al had, de enige waarvoor het in aanmerking lijkt te komen en die blijkbaar is blijven imponeren. Corruptie lijkt er geen vat op te hebben.
De voor de hand liggende metaforen die het toen opriep, zijn in al die tijd dezelfde gebleven. En die hebben allemaal te maken met de blijkbaar aantrekkelijke parallel die er destijds werd getrokken of de tegenstelling die er werd geconstateerd tussen de meteorologische omstandigheden buiten ons, waarop het woord betrekking heeft, en de gevoelens of stemmingen binnen ons. Wij zijn op bekend terrein, want het gaat over het weer.
De duisterheden die zich bij de explicatie van die metaforen eventueel kunnen voordoen, zijn, afgezien van een enkel ritueel aanslibsel, eerder het effect van een teveel aan helderheid dan van een tekort daaraan. Onze aandacht is namelijk gericht op een helderheid die de menselijke maat en de mistige bandbreedte van het menselijke waarnemingsvermogen te boven lijkt te gaan; en juist dat schijnt het te zijn wat die grensoverschrijdende metaforiek uitlokt.
Het Latijnse woord 'serenus' heeft allereerst betrekking op de helderheid van de lucht en de hemel. Als de hemel 'sereen' wordt genoemd, zijn er geen of nauwelijks wolken te zien, of als die hier en daar te zien zijn, wordt door hun rafelige aanwezigheid zelf al hun verdwijnen aangekondigd; zij lijken wel een onderdeel van de helderheid te vormen. Er is geen dreiging van storm of buien, en het licht heeft een bijna bovenaardse, droge helderheid. De vochtigheidsgraad komt niet boven de vijftig procent en sporen van filtering zijn amper te bespeuren. We hebben het dan niet over een boeiende en wereldberoemde Hollandse lucht, waarboven altijd de dreiging van norse buien en zwiepende regen hangt, en waaronder met verve mooi weer en knus binnenleven wordt gespeeld, maar over het strakke blauw van een mediterraanse, Latijnse hemel in de morgen, waarop aan de horizon flarden of vermoedens van wolken oplossen in het heldere niets. Zo'n lucht lokt menselijke zielen uit haar tent, weg naar de wijde hemel.
Serena templa, 'ruimten vol doorzicht' noemt Lucretius (ca. 50 voor Christus) in zijn leergedicht over de natuur de verheven, Olympische plaats van waar af de wijzen, zoals ook de goden, naar het gewoel van de stervelingen kijken. En die aanblik noemt hij in een wat gewaagde vergelijking nog gelukzaliger dan vanaf de kust te zien, hoe schepen op zee worstelen met de storm. Hij gebruikt in zijn lof van de wijsbegeerte het beeld om duidelijk te maken dat niets mensen zo gelukkig maakt als een beschouwelijk bestaan dat zich aan de woelingen van het politieke leven onttrekt en zich daar tegen afzet, maar dat doet op basis van inzicht in de processen van natuur en leven en niet zonder mededogen met de dolende en bedrogen stervelingen.
Alleen dat heldere inzicht garandeert de onverstoorbare rust die in de school van Epicurus (342-270), waarbij Lucretius zich had aangesloten, als hoogste doel werd nagestreefd en kenmerkend ataraxia werd genoemd: bevrijding van alles wat verwarrend werkt -en wat dus wel in overvloed aanwezig moet zijn. En door naar de heldere hemel te kijken mikt Lucretius daarbij tegelijk ook zo hoog mogelijk: alleen daar vindt hij de sereniteit waarnaar hij op zoek en is en bij het denken waaraan hij zeer lyrisch wordt.
Ik citeer een passage uit het tweede boek van zijn dichtwerk, waarin hij de komst van het daglicht beschrijft. Ik ben zo vrij in de vertaling van A. Rutgers van der Loeff uit 1966 een vorm van 'serenus' in te voegen waar Lucretius die gebruikt:
,,Wanneer de dageraad het land met licht besproeit en 't vooglenheir, dat vliegt door 't onbetreden woud, de lucht alom vervult met hel gekwinkeleer, is 't allen tastbaar duidlijk -zien wij- hoe de zon eensklaps verrezen alles met het jonge licht bekleedt en overstraalt op zulk een ogenblik. Maar wat de zon verspreidt aan hitte en heldren (serenum) schijn, beweegt zich niet door leegte en moet dus trager gaan, terwijl 't als 't ware zwemt door golven van de lucht.'
Het heldere licht, wordt hier in poëtische bewoordingen gezegd, ondervindt enige weerstand in de grovere en waterige lucht; het wordt daardoor, zelfs op hemels niveau, diffuus en gezeefd; en het nodigt de blik uit zich naar steeds hoger sferen te bewegen, zoals het vooglenheir dat kwinkelerend opwiekt naar de zon.
Lucretius is hierin, ondanks zijn materialistische opvattingen en zijn 'atheïsme', een erfgenaam van een belangrijke verworvenheid in de antieke cultuur: dat is de parallellie die daar al vanaf de oudste tijden wordt geconstateerd en onderhouden tussen het hemelse en het aardse leven. Door hun blik op de hemel te richten en hun rituelen en gedragingen af te stemmen op het vaste patroon dat zij daar menen te zien, zoeken mensen bescherming tegen de treurige en verwarrende wisselvalligheden en troebelen van hun aardse bestaan.
Een belangrijk deel van de antieke religie, door Lucretius in andere opzichten heftig bestreden, bestaat in het zorgvuldig bewaken en in stand houden van zo'n parallellie tussen hemels of goddelijk en aards of menselijk ritme. De aandacht voor de vlucht van voorspellende vogels, de angstvallige studie van de kalender als een aangepast rooster en de belangstelling voor de stand van de sterren zijn daar hulpmiddelen bij. Het Platoonse 'naar boven kijken' en het ijken van alles wat voorlopig is aan de Ideeën als modellen van perfectie is er een seculiere afleiding van. Ook zijn filosofie is een poging om op de mooiste momenten van het sterfelijke leven met de Olympische rust van de goden te concurreren.
In de betekenis en metaforiek van 'serenus' en 'sereen' is dat alles duidelijk aanwezig. De sereniteit van de hemel staat niet alleen voor de afwezigheid van duisterheid en grillen op dit ene moment, maar zij garandeert ook voor een onafzienbare termijn of voor de hele wereld stabiliteit en ongeschokte orde. Bovenal lijkt zij een perspectief te vertegenwoordigen dat de wereld verruimt en de toeschouwer een onbeperkt uitzicht geeft. De sereniteit is wat mensen een blik op de hemel gunt en tegelijk hun plaats op de aarde en in hun eigen leven bevestigt.
Er is dus in die metaforiek niet alleen sprake van een parallellie tussen bewegingen die elkaar niet raken, maar ook van een beweging die van buiten naar binnen gaat en omgekeerd: de aanwezigheid van serene rust en licht buiten ons kan ons troost en compensatie bieden voor wat in ons eigen bestaan ontbreekt. Of zelfs: zij gaat een onderdeel vormen van ons eigen bestaan, maar dan gezien in wijder perspectief en verlost van de smalle bandbreedte waarin het eerste oog als in een grot gevangen houdt. De storm daarbuiten is een proef voor onze innerlijke rust en de rust aan de opgeruimde en schoongeveegde hemel brengt onze innerlijke stormen tot bedaren. De mensen spiegelen zich bij het bepalen van hun gedrag aan de hemel.
Seneca spreekt over zijn 'serenitas' als hij het in zijn verhandeling over de woede en het beheersen daarvan heeft over zijn gemoedsrust. De wijze zegt daar tegen de mensen en zelfs tegen de machtige en grillige fortuin: 'Jij bent te klein om mijn sereniteit te verstoren'.
Het zal niet helemaal toevallig zijn dat Seneca hier de kwalificatie 'klein' plaatst tegenover 'serenitas', alsof ook dat woord betrekking zou hebben op formaat en macht. En dat moet ook wel het geval zijn. Juist in zijn tijd namelijk begonnen 'serenitas' en 'serenissimus' ook gebruikt te worden als een snel verstarrende titel voor Romeinse keizers aan wie goddelijke eer werd bewezen en Olympisch formaat toegedicht. In één listige beweging maakt de wijze zich zelf tot keizer en de grillige keizer Nero tot een godheid. Hij houdt hem een spiegel voor en zegt dat hij boven de woede verheven is.
En wat hij als moralist bijna ongemerkt ook doet is: via de metafoor binnen menselijk bereik brengen en een menselijke verdienste maken van wat in al zijn fasen een natuurkundig, meteorologisch en niet te moraliseren verschijnsel is, fascinerend als voorwerp van beschouwing, maar letterlijk boven de mensen verheven.
Als ik het goed begrijp, wordt ook in onze taal, waar het woord 'sereen' vrij laat aan het Frans ontleend lijkt te zijn en amper een eigen geschiedenis heeft, nooit van bijvoorbeeld 'een serene blik' gesproken zonder dat dit gepaard gaat met een geloof in de echtheid daarvan. Zo'n blik is eerder kinderlijk en onwillekeurig of het product van een gelukkige ontwikkeling dan iets wat met moeite wordt verworven, geraffineerd nagedaan of als houding aanbevolen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.