*

 

Charlotte Margiono maakt indruk als Eva

Peter Van der Lint − 03/02/00, 00:00

recensie Een ontketende Hartmut Haenchen leidde zaterdagavond in het Amsterdamse Muziektheater een onstuimige 'Meistersinger von Nürnberg'. Haenchen nam de ouverture supersnel en stuwde daarmee het zeer goed spelende Nederlands Philharmonisch Orkest direct naar grote hoogten. Intens geluk straalde toen al van Haenchens gezicht en dat terwijl hij nog zo'n viereneenhalf uur voor de boeg had.

Ik heb het nog niet vaak meegemaakt dat Haenchen zich op een dergelijke manier liet gaan. Hij is de man van de totale controle en de perfecte partituurkennis. Met Wagners muziek is hij na de titanentaak van de 'Ring des Nibelungen' afgelopen zomer zo vertrouwd, dat hij als het ware blind kan varen over Wagners notenzeeën. Met zijn opvallende enthousiasme leek Haenchen alles en iedereen in Wagners komische opera op sleeptouw te nemen. Het resultaat was een zeldzaam geslaagde uitvoering van zeer hoog niveau.

Het betrof hier een herneming van een productie die De Nederlandse Opera in 1995 in première bracht. Toen was Gré Brouwenstijn onder de eregasten; nu worden alle voorstellingen opgedragen aan de eind vorig jaar overleden sopraan, die onder meer in de rol van Eva uit deze opera schitterde in Bayreuth. De enscenering van Harry Kupfer werd ingestudeerd door Monique Wagemakers. Een immense kunstboom, uitgevoerd in fijn Duits houtsnijwerk (ontwerp Wilfried Werz), domineert het toneel en biedt door de mogelijkheid tot totale omwenteling veel variatie in spelruimte. Kupfer ging in zijn enscenering de Duitse burgerlijkheid niet uit de weg, maar bracht enkele details aan die nog steeds goed blijken te werken.

De lange kus op de mond die Eva aan Hans Sachs geeft, plaatst de relatie van de weduwnaar-schoenlapper en zijn buurmeisje in de schijnwerper. En aan het slot waar Wagner op de grens van het draaglijke de Duitse kunst en zijn makers zowat heilig verklaart, relativeerde Kupfer de bombast. Sachs dreigde een hem aangeboden lauwerkrans in het publiek te werpen, maar legde hem tenslotte met een glimlach voor op de bühne. Daarvoor had Sachs ook al uitbundig vrede gesloten met stadsgriffier Sixtus Beckmesser, waar deze laatste meestal met de staart tussen de benen moet afdruipen.

De bezetting van deze reprise is geheel nieuw op een belangrijke uitzondering na. Bariton Dale Duesing keerde terug als Beckmesser en steelt wederom zingend en acterend de show. Beckmesser is een vervelende pennenlikker, maar Duesing speelt hem zo, dat je van hem gaat houden. Wolfgang Brendel is de nieuwe Sachs, die alleen al puur als figuur geloofwaardig is als iemand op wie Eva verliefd zou kunnen zijn. Hij paarde volkomen natuurlijk spel aan een geweldige vocale prestatie. Zijn haast agressief gezongen monoloog over de waan was een hoogtepunt.

Duesing en Brendel konden rekenen op een uitbundige ontvangst van het publiek. Evenals Charlotte Margiono, die debuteerde in een grote Wagnerrol en daarmee definitief de fakkel van Brouwenstijn lijkt te gaan overnemen. Margiono was subliem in het kwintet van de derde akte, eigenlijk de enige plek waar een Eva indruk kan maken. Elders leek zij zich vocaal nog niet helemaal op haar gemak te voelen, maar zij vergoedde veel door haar intense aanwezigheid op het toneel. De Zweedse tenor Gösta Winbergh zag er misschien iets te oud uit als Walther von Stolzing, de jongeling op wie Eva verliefd wordt. Maar Winbergh zong wel met jeugdige passie en met ongebreidelde gulle toon.

Fantastisch om zo'n goed bezette 'Meistersinger' hier in Amsterdam te kunnen meemaken. Ook in de kleine rollen was optimaal gecast: David Wilson-Johnson bijvoorbeeld als Kothner, Edmund Zelotes Toliver als Pogner en Kurt Streit als David. Kortom een reprise met de allure van een première waarbij Haenchen zijn autoriteit op Wagnergebied een nieuwe dimensie geeft.

mailIcon print |