*

 

Moderne Franse romans pogen het bestaan te duiden

JORIS VERMEULEN − 22/01/00, 00:00

recensie Bij uitgeverij Van Oorschot verschenen onlangs tegelijkertijd maar liefst drie vertalingen van Franse romans. Drie bijzondere boeken, deel uitmakend van een vrij bijzonder project: Van Oorschots 'moderne Franse bibliotheek'.

Het is niet zo uitzonderlijk dat een uitgeverij vertaalde Franse literatuur op de markt brengt. De gloriedagen van het land van Proust en Sartre mogen dan achter ons liggen, het is nog steeds een van de belangrijkste aandachtsgebieden van Neerlands boekenproducenten. Uitzonderlijker is het feit dat Van Oorschot niet terugdeinst voor a-modieuze, commercieel minder interessante literatuur, deze zonder bombarie te water laat, en bovendien eenmaal gekozen auteurs blijft uitgeven, ook al vallen de verkoopcijfers tegen.

De moderne Franse reeks zag het licht aan het begin van de jaren negentig, waarna al snel Manet van Montfrans, docente moderne Europese letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam, er verantwoordelijk voor werd. Een politiek van 'voorzichtig aan, dan breekt het lijntje niet' heeft tot gevolg gehad dat het aantal uitgaven na een kleine tien jaar pas op zestien ligt. Tot dusver terugkerende namen zijn Pierre Bergounioux, Pierre Michon, François Bon en Jean Rouaud.

Was de serie jarenlang een louter mannelijke aangelegenheid, inmiddels heeft een vrouw haar intrede gedaan: Caroline Lamarche (1955). De Luikse romaniste ontving voor 'De dag van de hond' de Belgische staatsprijs voor literatuur. Wat mij betreft een wijs besluit: een paar van dit soort Waalse romanciers, een paar translateurs als Rokus Hofstede en de taalstrijd is voorgoed ten einde.

In het nog geen honderd pagina's dunne 'De dag van de hond' weet Lamarche een ontroerend groepsportret van zes personages te schetsen, uitgaand van een curieus-banaal gegeven als een hond die over de snelweg rent. Een chauffeur, een pastoor, een minnares, een homo, een moeder en haar dikke dochter worden door het paniekerige dier geconfronteerd met hun eigen stuurloze en eenzame bestaan. De pastoor concludeert aan het eind van een godvruchtig leven: ,,...nee, er is niets, geen hulp in nood, behalve dan een hoopje mensen aan de rand van de weg die op goed geluk en volkomen tevergeefs wat staan te roepen.''

François Bon heeft met Lamarche (1953) behalve zijn leeftijd nog iets gemeen: de existentialistische inslag van zijn oeuvre. De eerste zin van de roman 'Gevangenis' luidt: ,,Want wij weten niets met zekerheid, wij zijn dwalende.'' Bon, die als lasser in de luchtvaart- en kernindustrie de halve wereld heeft rondgereisd, werd als docent taalbeheersing van een jeugdgevangenis in Bordeaux geconfronteerd met het treurige bestaan van criminele jongeren. De daar opgedane ervaringen vormden de basis voor 'Gevangenis'.

Het personage Jean-Claude Brulin heeft amper de nor achter zich gelaten of hij wordt neergestoken, 'om een reden van niks'. Een paar weken nadat de jongen het taalklasje van de verteller vaarwel heeft gezegd, zit daar Brulins moordenaar. De in alle opzichten weifelende schrijfsels van de leerlingen, doorspekt met de mijmeringen van de ik-figuur, vormen een linguïstische brij die op zijn beurt weer de essentie van het verhaal bepaalt.

Een van de jongens formuleert het als volgt: ,,Toen ik van school kwam kon ik alleen mijn naam schrijven en mijn voornaam en geboortedatum [...]. Er waren dingen die ik niet kon maar nu kan ik die. Ik leer daardoor in mijn hoofd te denken, over dingen die ik in mijn hoofd had en die ik vroeger niet kon zeggen, en het komt er beter uit. Nou gaat het goed.'' De taal, het woord, én het luisteren daarnaar, als wapen tegen de beangstigende 'werkelijkheidsvariaties' in het leven van alledag: een fascinerend boek.

Jean Rouaud (1952) heeft waarschijnlijk van de drie hier besproken schrijvers de meest consequente, omvangrijke poging gedaan het bestaan te duiden. In een autobiografisch vierluik, waarvan de Nederlandse uitgave met 'Voor al uw geschenken' is voltooid, legt hij met bijna maniakale precisie en gevoel voor ironie het verleden van hemzelf en zijn voorouders vast. De avonturen van Rouaud & Cie begonnen in 1990 met 'De velden van eer', dat bekroond werd met de Prix Goncourt en dat in tal van landen verscheen.

De titel 'Voor al uw geschenken' stamt uit een slogan van de firma Rouaud, een groothandel in 'serviesgoed en huishoudelijke artikelen' die de moeder van de schrijver na de voortijdige dood van haar echtgenoot drijft. En wel tot aan haar eigen overlijden, als een laatste mohikaan in haar burcht van potten en pannen vechtend tegen ouderdom en nieuwe tijden. ,,En we beseffen dat onze gestorven moeder van onze kortstondige afwezigheid gebruik heeft gemaakt [...] om ons de ontzetting te besparen, de kreet en de tranen. Maar dat is niet zo vreemd, zo is ze, tot het einde aan toe: let vooral niet op mij, kindertjes lief.''

mailIcon print |