*

 

Armando toont zijn lichte kant aan kinderen

PETER DE BOER − 15/01/00, 00:00

recensie Wonderlijke man, Armando. Een soort artistieke octopus die behalve schrijver en dichter ook nog musicus, beeldend kunstenaar en acteur is. In schril contrast met deze veelzijdigheid staat de koppige monotonie van zijn thematiek. Hij schrijft en schildert immers vrijwel uitsluitend over oorlog, geweld en dood. Zijn stijl is kil en noterend, zijn visie illusieloos. Zijn favoriete kleur is geen kleur: zwart.

Toch heeft Armando ook een lichte kant. Het destijds befaamde VPRO-programma 'Herenleed', waarin Armando samen met Cherry Duyns acteerde, geldt ook nu nog als het toppunt van polderlandse humor in absurdistische stijl. In afgezwakte vorm keert dit speelse absurdisme terug in het drietal kinderboeken dat Armando het afgelopen decennium schreef: 'De sprookjes', 'De prinses met de dikke bibs' en het onlangs verschenen 'Dierenpraat'. Wat deze lichtvoetige boeken dan weer met de 'zwarte kunst' van zijn hoofdwerk gemeen hebben is een zekere mate van onbewogenheid. Ze zijn grappig, op het hilarische af vaak, maar op een ingehouden en onderkoelde manier. Armando's humor is zogezegd vriesdroog, het gezicht blijft er strak bij in de plooi.

Ook in 'Dierenpraat' pakt Armando dus weer prettig gestoord en taalinventief uit. Het is maar een dun boekje, maar zo geestig dat je op iedere pagina wel in de lach schiet. De tekeningen van Susanne Janssen voegen daar met hun kantelende perspectieven en voorstellingen iets aan toe dat ik tegelijk dreigend en aandoenlijk zou willen noemen. De hoofdpersoon is een man die in elk verhaaltje aan de praat raakt met een dier. Dit levert kleine, gave sketches op van bizarre conversaties waarin de kunst van een hoger soort nietszeggendheid wordt bedreven.

Een aardig voorbeeld is het verhaal 'De beer', dat nog geen twee bladzijden telt. Het begint als de ik-verteller ontwaakt en een beer naast zijn tafel ziet staan: ,,'Wat komt u doen?', vroeg ik. 'Nou', zei hij, 'ik wil een gebrek met u.' 'O, u bedoelt een gesprek.' 'Ja', zei de beer, 'maar ik heb een spraakgesprek.' 'O, u bedoelt een spraakgebrek.' 'Verbeter mij toch niet steeds, dat vind ik vervelend', bromde de beer.'' Behalve de dialoog zelf is ook de situatie komisch. De beer is een insluiper tenslotte en uitgerekend hij eist op norse toon discretie. Wanneer de man vervolgens zijn spraakgebrek beleefd negeert neemt het gesprek een absurde wending: ,,'Ik ben een kunstenaar', sprak de beer, 'ik schilder landpappen.' Ik durfde de beer niet meer te verbeteren, dus ik zei: 'O leuk, ik hou erg veel van landpappen.' 'Dat zeg je verkeerd," zei hij, "je moet niet landpappen zeggen, maar landschappen'.''

Nu zit de man klem. Hij mag de ongelikte beer, die een spraakgebrek heeft dat geen spraakgebrek is, niet verbeteren en ook niet niet verbeteren. Zie uit zo'n lus maar eens los te komen! Zo gaat het vaker in deze verhalen. Het gesprek met een kraanvogel draait eveneens in zichzelf vast. De vogel heeft één favoriet stopwoordje: 'misschien', en één grote obsessie: hij is bang dat zijn benen 'misschien wel' te dun zijn. De man verzekert hem een- en andermaal dat ze juist sierlijk zijn, waarmee de vogel ten slotte aarzelend (,,U heeft gelijk misschien'') instemt. Maar onmiddellijk daarna richt zijn zorgelijkheid zich op het tegendeel: ,,'Vindt u mijn benen niet een beetje te dik misschien?' 'Te dik?' vroeg ik verbaasd. 'Ja, ik bedoel: zijn ze misschien wel dun genoeg, dacht u?'' De rest van dit hopeloos ontsporende gesprek laat zich raden. Het vernevelt in de dooddoener waarmee de kraanvogel het onderhoud besluit: ,,Misschien wel, misschien ook niet''.

De verhalen moeten het vooral hebben van een groteske logica en gewiekste wendingen. Van een treiterig langs elkaar heen praten en bewust misverstaan ook. De muis bijvoorbeeld weet zo geslepen ruzie te maken dat niet hij maar de verbouwereerde man met schuldgevoelens wordt opgezadeld. En wat te zeggen van de uil, die onverstoorbaar tot het inzicht komt: ,,Van alles weet ik alles en van niets weet ik niets''? Armando mag ook graag het geijkte verwachtingspatroon doorbreken. Van het hert dat speciaal naar de man is toegekomen om hem enkele vragen te mogen stellen, verwacht je niet dat hij begint met: ,,Draagt u een onderjurk?'' Daarentegen zijn ,,Komt u wel 's te voorschijn'' en ,,Gaat u wel 's dood?'', hoe schijnbaar vreemd ook, als vragen zo gek nog niet.

In hun werking doen deze verhaaltjes enigszins denken aan Hans Faverey's gedichtencyclus De witz van de twee doven'. Soms balanceren ze op het randje van de meligheid, zonder echt door te slaan overigens. Als de sperwer zegt: ,,Ik heb net een vliegreis achter de rug'' en de man reageert met ,,O, dan ben je zeker een vogel'', dan mag dat van mij. Ook in de werkelijkheid zitten gesprekken vol dubbelzinnigheden, grillige wendingen en onverenigbare invalshoeken, al zijn we ons van die valkuilen slechts zelden bewust. Of kinderen dat ook zo zien is natuurlijk de vraag. De uitgever van 'Dierenpraat' noemt nergens een leeftijdscategorie, maar het lijkt me dat het effect van Armando's absurdisme bij lezers beneden de elf snel afneemt. Voor elf jaar en ouder dus, volwassenen inbegrepen.

mailIcon print |