*

 

1001 dagen met Koos van Zomeren

T. VAN DEEL − 15/07/00, 00:00

recensie Op 22 juni 1995 was het plotseling zover. Zijn lezers hadden het natuurlijk niet geteld, maar Koos van Zomeren zelf had het wel degelijk bijgehouden en onder de titel '1001' schreef hij zijn laatste column in de linkerbenedenhoek op de voorpagina van NRC Handelsblad. Ruim drie jaar lang was hij daar elke dag aanwezig met zijn eigen nieuws, dat naar vorm en inhoud altijd weer verrassend afstak tegen de omringende berichten.

Het waren uitzonderlijk kleine columns, van zo'n tweehonderdvijftig woorden, maar wat Van Zomeren in dat korte bestek klaarspeelde, was verbluffend. Hij had vanaf het begin de timing volledig onder controle en gaf nooit de indruk om een onderwerp verlegen te zitten. Alles wat hij meemaakte, las, hoorde, zag, herinnerde, was bruikbaar: een wandeling met de hond over de Hollandse Kade net zo goed als een treinreis, de wereld zelf bracht hem op ideeën.

Een keuze uit de columns is in een vijftal boeken verschenen, onder andere in 'Het eeuwige leven' en 'Wat wil de koe', maar een derde van de duizend-en-één werd niet herdrukt. Het is een daad van rechtvaardigheid dat ze nu zonder uitzondering en in chrologische volgorde zijn uitgebracht onder de titel 'Ruim duizend dagen werk'.

Het voordeel van de chronologische volgorde is, dat we het geheel nu kunnen lezen als een soort dagboek. Bovendien komt het geregeld voor dat achtereenvolgende columns ook werkelijk met elkaar in betrekking staan en een serietje vormen. De uitgever noemt het boek terecht 'een tijdloos dagboek uit de jaren negentig', want dat betekent meteen ook dat we hier met literatuur van doen hebben. De stukjes van Van Zomeren zijn afkomstig van een schrijver, van iemand die van zichzelf zegt 'ik hou van een mooie zin'. Hij wil bijvoorbeeld over een houtsnip schrijven die hij gisteren heeft gezien en al wandelend denkt hij daarover na: "Ik ben op zoek naar woorden die bij een houtsnip passen. Ze hoeven niet beter te zijn, ze hoeven hem niet te vervangen. Maar ze mogen ook niet minder zijn. Wat een houtsnip in de polder doet, dat verlang ik van die woorden op papier. Ze moeten bewaren." Aan het slot van de column gaat hij achter zijn schrijfmachine zitten in de hoop op "Een zin die glanst als een houtsnip, de zin van mijn leven!"

Mooie, nee schitterende zinnen staan er in dit boek. Toen ik het voor het eerst opensloeg, stuitte ik op de column 'Kruisbekken', die ik mij nog uit 'Wat wil de koe' herinnerde.

De structuur van 'Kruisbekken' legt al iets van de schoonheid ervan bloot. Van Zomeren zit met iemand aan de telefoon en na wat heen en weer gepraat realiseert hij zich dat daarginds, in die telefoon, op de achtergrond 'een vogel zit te fluiten, de harde, heldere, monomane zang van een merel'. Het blijkt dat zijn gesprekspartner met zijn mobieltje in de tuin zit. "Voor het eerst, voor het eerst van mijn leven, heb ik een prettige gewaarwording bij een draadloze telefoon. Ik kan het gesprek beëindigen, ik kan zo naar buiten lopen, daar zal heus ook wel een merel aan het zingen zijn, maar voor het moment geef ik de voorkeur aan een merel die in Brummen zit."

Dan klapt de column om naar een herinnering aan een ochtend ruim twee jaar geleden. Van Zomeren zat naar de televisie te kijken, Olympische Winterspelen in Albertville. "Vanuit een onwaarschijnlijk hoge camerapositie werd een berglandschap met besneeuwde sparren in beeld gebracht. Er gebeurde niets, helemaal niets. Op den duur viel zelfs de commentator stil. En toen het onverstoorbare, rollende geluid van een stelletje kruisbekken."

"Ik op de bank, die vogels, in de Alpen, toverachtig. Zo is het leven en daar knapt een mens van op."

Bij die laatste zin moet bedacht worden dat eerder gesuggereerd is dat het in die tijd niet zo goed met Van Zomeren ging. De natuur speelt in zijn columns altijd een vitale en vitaliserende rol. Het is alsof de natuur de waarnemer in staat stelt voor een ogenblik van zichzelf af te zien en op een indirecte manier toch ook inzicht in zichzelf te krijgen.

Je kunt Van Zomeren maar het beste mondjesmaat lezen, misschien is één per dag de juiste maat. Achter elkaar lezen legt wel bepaalde patronen bloot, maar leidt gauw tot te vlug lezen en dan verlies je het oog voor de details, en daar gaat het in deze stukjes om. Neem bij voorbeeld het slot van een verslag van een wandeldag in Zeeuws- Vlaanderen, begin november:

"Dan Sluis, het oude vestingwerk. Daar lopen we, wij tweeën en de hond, het landschap in. De dijkjes bochtig en de singels kaal. Het bijna beige van de omgeploegde akkers. Het blauwe van de lucht, het stugge van de wind. Er waait alvast een vleugje winter mee.

Uiteindelijk de broze ruimte van het Zwin.

Cadzand, een geur van zee en dat was alles voor vandaag."

Hier moest de krantenlezer van 1 november 1993, een maandag, het inderdaad die dag mee doen, in de wetenschap dat er morgen weer een dag en weer een Van Zomeren zou komen. De lezer van 'Ruim duizend dagen werk' heeft nu al deze dagen in de hand en dat is een verrukkelijk gevoel.

mailIcon print |