*

 

Dat bijna onzichtbare tussenmoment

Eva van Schaik − 31/01/00, 00:00

opinie Ongetwijfeld heeft van alle uitvindingen in de negentiende eeuw die van de cinematografie de grootste invloed gehad op de beeldende kunsten en wetenschappen in de twintigste eeuw. De eerste geslaagde poging van fotografen zoals de Fransman Etienne Jules Marey en de Amerikaan Eadweard James Muybridge om beweging in beeld vast te leggen zorgde immers voor nieuwe, nog ondenkbare concepten van tijd-ruimte.

Was 'Achronophotographe' door Marey bedacht om een synthese van bewegingen in beeld te krijgen, zijn Amerikaanse tijdgenoot Muybridge wilde juist het tegenovergestelde bereiken. Door een serie camera's door het bewegende, te fotograferen object zo snel mogelijk na elkaar in werking te laten treden, kon Muybridge ook die bewegingsmomenten vastleggen die onze waarneming ontsnappen.

Het duurde lang voordat ook de door hem opgenomen danseressen in doorzichtig voile begrepen moeten hebben dat de techniek van twee foto's per seconde ook een fragmentatiebom onder hun balletkunst deed afgaan. Niet langer waren immers alleen die bewegingsmomenten belangrijk die het menselijk oog voor de harmonie en hiërarchie van beweging selecteert, maar ook al die andere daartussen. Muybridge's voorwerk voor film en video was de wieg van de (post)moderne danserkunst.

Film en toneeldans deden er vrij lang over om elkaar af te tasten. Er kwamen dansfilms, maar dat dans zelf ook film integreerde begon pas echt met de komst van de video, dus zo'n dertig jaar geleden. Geprojecteerde filmbeelden en/of video-opnames bieden immers de mogelijkheid dansfrases op en buiten het toneel in momenten te demonteren, te versnellen of vertragen, te vergroten of verkleinen, uit de contekst te lichten en deze op een nieuwe manier aan het toneelbeeld toe te voegen.

Ergens in dat raadselachtige gebied tussen scherm en scène bevindt zich de nieuwe danswereld, als een nog braakliggend terrein. Met de nieuwste beeldtechnieken kunnen theatermakers zich daar nu naar hartelust uitleven om alles en iedereen te manipuleren. Mobiele videocamera's, reflecterende schermen en noem maar op stellen hen tot wonderschone visuele magie in staat. Dansers zijn de tovenaarsleerlingen en postiljons d'amour tussen virtueel en reëel.

Zo zien zij (en hun publiek) zich soms geplaatst tegenover hun spiegelbeeldige atavaren die met hun beweging aan de haal gaan. Het levert mij voornamelijk een kijkgenot om met al die fantomen en fantasieën bestookt te worden. Er kleeft echter wel een probleem aan: ondanks allerlei diepere betekenissen en filosofische pretenties blijft een dansvoorstelling ongeschikt als lezing over filosofie.

Dat laatste dringt zich ook op bij de hightech-productie 'Muybridge - Man walking at ordinary speed' (1998) van de Vlaamse choreograaf Frédéric Flamand en zijn groep Plan K-Charleroi/Danses. Al twee jaar geleden traden zij ook in het Amsterdamse Muziektheater op met een verbluffend spektakel over de schizofrenie van de danser Vaslav Nyinski.

Ditmaal vervolgt Flamand zijn aanval op de perfecte mens als bewegende doelwit van een gecomputoriseerde wereld met nog veel meer technische toverkunsten. Niet Nyinski's waanbeelden maar de erotische fantasieën die Muybridge op zijn bewegingsdemontages zou hebben uitgeleefd vormen het uitgangspunt voor de choreografie en de toneel- en videobeelden van het architectenduo Diller en Scofidio. De ruim 20 000 opnames van Muybridge vatten zij op als een poëtische hommage aan 'de levenden'.

Tekenend voor zijn fotoreeksen achten zij echter ook de typisch negentiende eeuwse gender-moralistische stereotypie. Zijn mannen doen het zware werk, met stokken, ploegen, zagen, en zijn vrouwen serveren thee. Flamand grijpt het aan voor wonderschone scènes, die hij lardeert met ironiserende citaten uit ouderwetse Engelse etikette-boeken. Begrijpelijk, want anders zou al zijn technisch gekunstel met beeld en beweging wel heel humorloos blijven. Opnieuw is zijn theater vooral een verzachtend bad voor het oog.

De dansers zijn en bewegen beeldschoon en fluweelzacht en de fantasmagorische trucs, die hen nu eens verstillen en dan weer doen reageren op hun video of polaroid-opnames, doen me wanen in een fotogeniek wonderland. Alle prachtige vormen en verzorgde esthetiek ten spijt, alleen de slotscène van een zichzelf registrerende danser die ronddwaalt in filmopnames van straatgeweld wekt ontroering.

Alleen daarin heb ik de door Flamand beoogde aanval op de perfecte, van zijn lichaam en medemens vervreemde mensrobot kunnen ontwaren. Wat na tachtig voorbij zoevende minuten vooral beklijft, zijn de prachtige, deels ontblote danserslijven en hun dynamische soepelheid. Allen lijken over een automatische besturing te beschikken, waarmee zij de gefragmenteerde scènes zonder enige frictie in elkaar overschakelen. Echte opwinding of openbaring levert die bewuste uitschakeling van dramaturgie niet op, wel een aangenaam verpozen.

mailIcon print |