*

 

Strijd tegen onrecht typeert Russische poëzie

Peter Henk Steenhuis − 25/01/00, 00:00

recensie Ter gelegenheid van de eerste Landelijke Gedichtendag op 27 januari verschijnt de bundel 'Spiegel van de Russische poëzie van de twaalfde eeuw tot heden'. Gesprek met samensteller Willem G. Weststeijn over het ontstaan van de Russische literatuur. Over Poesjkin, Chlebnikov en Achmatova.

'Wil men de Russische taal volledig beheersen en het gevoel voor deze taal niet verliezen, dan moet men voortdurend omgaan met gewone Russische mensen.'' Dit adviseerde de Russische schrijver Konstantin Paustovskij in zijn memoires, en hij voegde eraan toe dat het ook van groot belang is contact te hebben met beemden en bossen, met wateren, oude wilgen, met het getjilp van de vogels en met ieder bloempje dat onder de struikhazelaar vandaan gluurt.

Lezend in 'Spiegel van de Russische poëzie van de twaalfde eeuw tot heden', dat verschijnt aan de vooravond van de Landelijke Gedichtendag, valt op dat de Russische dichters door de eeuwen heen in nauw contact hebben gestaan met de beemden en de bomen -vooral met de Russische; hun liefde voor Moeder Rusland is grenzenloos. Maar van contact met 'de gewone Russische mensen' was in het verleden geen sprake. Aan dat deel van zijn advies is af te lezen dat Paustovskij een twintigste-eeuws schrijver was.

,,Het verschil tussen de maatschappelijke lagen is in Rusland eeuwenlang groter geweest dan in West-Europa'', zo verklaart de slavist en samensteller van de bundel Willem G. Weststeijn het geringe contact tussen schrijvers en 'gewone Russische mensen'. ,,Je had een omvangrijke boerenbevolking, waaruit geen noemenswaardige geschreven literatuur is voortgekomen. Dan bestond er een kleine groep middenstanders, nauwelijks geletterde kooplieden die ook niet hebben bijgedragen aan de culturele ontwikkeling van Rusland. Literatuur was eeuwenlang een zaak van monniken, zij lieten zich bij het maken van hun religieuze teksten sterk leiden door hun Byzantijnse voorbeelden. Wereldlijke poëzie kreeg pas kans te ontstaan nadat Moskou er in 1654 in slaagde Oekraïne in te lijven. Hierdoor konden westerse cultuurinvloeden Rusland nu direct bereiken.''

Toen werd duidelijk dat Rusland niet beschikte over een bruikbare literaire taal. De adel, die zich de literatuur vanaf die tijd toe-eigende, beschouwde leden uit lagere standen als lijfeigenen, als bezit waarop je neerkeek. En het was onmogelijk hun platte taal te gebruiken voor de verwoording van verfijnde gevoelens. Maar ook het Kerkslavisch, prima bruikbaar voor ingewikkelde religieuze vertogen, schoot tekort voor de poëzie.

De Russische literatuur van de achttiende eeuw staat dan ook sterk in het teken van het creëren van een nieuwe 'eigentijdse' literaire taal. Belangrijk voor de taalhervorming was de dichter Michail Lomonosov (1711-1765). Hij schiep een ingewikkeld systeem dat een compromis nastreefde tussen de Russische spreektaal en de taal van de kerk. In de loop der tijd werd het systeem aangepast en gemoderniseerd. ,,Daarbij werd het Frans als voorbeeld genomen'', zegt Weststeijn, ,,die taal sprak de adel beter dan het nog steeds ruw klinkende Russisch. Door deze vernieuwingen bleek het Russisch langzamerhand in staat te zijn de gevoeligheden te verwoorden die met het sentimentalisme hun intrede deden.''

,,En dan doet zich iets vreemd voor. Stelde de Russische literatuur eind achttiende eeuw nog nauwelijks iets voor, vijftig jaar later behoorde zij tot de belangrijkste van de wereld. De zogeheten Russische Gouden Eeuw begon met Aleksander Poesjkin (1799-1837). Een van zijn geniale kanten was dat hij erin slaagde de pas ontstane literaire taal ogenblikkelijk tot ongekende hoogte op te stuwen. Aan zijn heldere woordgebruik en natuurlijke stijl is te zien dat het Russisch vanaf de negentiende eeuw voor geen enkele Europese taal meer onderdeed.''

,,Het belang van Poesjkin voor de literatuur is nauwelijks te overschatten. Hij is onbetwist Ruslands grootste dichter, die nog steeds invloed heeft op de Russische poëzie, al is het maar omdat elke Russische intellectueel wel enkele van zijn gedichten uit het hoofd kent.''

De 'Gouden Eeuw' was niet alleen Poesjkin, het lijkt wel of er in Rusland in die jaren alleen nog maar genieën naar de pen grepen. Weststeijn heeft geen echte verklaring voor dit fenomeen. Hij vergelijkt het met individuen van wie de talenten lange tijd geknot zijn, maar die enorm opbloeien als hun plotseling meer mogelijkheden worden geboden. ,,Het lijkt me aannemelijk dat zich zoiets bij culturen ook kan voordoen.''

Een dergelijke creatieve explosie deed zich aan het begin van de twintigste eeuw opnieuw voor. Deze periode, de Zilveren Eeuw genaamd, werd gedomineerd door dichters als Aleksander Blok (1880-1921), Velimir Chlebnikov (1885-1922), Vladimir Majakovski (1893-1930), Osip Mandelstam (1891-1938), Anna Achmatova (1889-1966) en Marina Tsvetajeva (1892-1941). De teloorgang van deze Zilveren Eeuw hing nauw samen met de opkomst van de stalinistische terreur. Omdat alle uitgeverijen, drukkerijen, kranten en tijdschriften in handen waren van de staat, kon precies gecensureerd worden wat de partijleiding niet zinde.

,,De lastige verhouding tussen staat en literatuur is een thema dat in Rusland veel sterker naar voren komt dan in West-Europa. Er waren natuurlijk ook nogal wat dictaturen om tegen te ageren, maar afgezien daarvan ervaart de Russische schrijver het ook als zijn taak de machthebbers te kritiseren. De Russische intelligentsia heeft zich altijd verre gehouden van het bestuur van het land, dat liet men over aan de ambtenaren. Maar vanuit de zijlijn achtte de intelligentsia het wel degelijk van belang haar aversie tegen de staat te verwoorden. Het gaf schrijvers ook status: een dichter die zich geroepen voelde het gezag te toetsen, genoot meer aanzien dan een hermetisch dichter die zich in zijn ivoren toren terugtrok.''

,,In de bundel 'Spiegel van de Russische poëzie van de twaalfde eeuw tot heden' zie je dit thema ook telkens terugkeren. Neem het negentiende-eeuwse gedicht 'Ruslands god' van Pjotr Vjazemski (1792-1878). Daarin staan de strofes: 'Generaals die zich vermeien,/Butlers staande voor Piet Snot,/Luxe steden met lakeien -/Dat is typisch Ruslands god.//Goedetieren voor de dommen,/Voor de wijzen streng en bot,/Recht moet wijken voor het kromme-/Dat is typisch Ruslands god.'''

,,Maar je ziet het ook in het gedicht 'Mijn vaderland' van Lermontov (1814-1841) dat met de zin begint: 'Ik hou veel van mijn vaderland maar op een wijze die ik niet kan vatten'. Dit is ook een typisch Russische formulering. Russische dichters leveren openlijk of tussen de regels door eindeloos kritiek op het gezag, maar ze zijn wel nationalistisch. Er wordt geleden onder de hardheid van het land, maar men raakt tegelijkertijd niet uitgezongen over de wijdsheid van de natuur. Rusland is de Moeder, de Geliefde, de Messias, de Ideale Werkelijkheid, maar Rusland is ook de dichter zelf.''

,,De identificatie van de dichter met Rusland komt naar mijn idee schitterend tot uitdrukking in 'Ik en Rusland' (1921) van Velemir Chlebnikov. De dichter ligt aan de oever van de rivier, hij trekt zijn overhemd uit en laat de zon zijn blote bast beschijnen. En op het moment dat de borstkas bevrijd is van het overhemd, wordt ook Rusland vrij. De dichter is nu Rusland geworden, die de volkeren de vrijheid, de menigten bruinverbrandheid schenkt.''

Weststeijn concludeert dat uiteindelijk de strijd tegen het onrecht van de Russische machthebbers de meest constante factor in de Russische poëzie lijkt te zijn. ,,Want ook in de twintigste eeuw, bloediger nog dan de voorgaande, zijn talrijke dichters vervolgd om hun poëzie -Joseph Brodsky is hiervan zonder meer de bekendste.''

,,De ontwikkeling van de poëzie lag hierin, dat de dichters niet meer neerkijken op het gewone volk -zoals ten tijde van het ontstaan van de literatuur- maar er mee omgaan, naar luisteren, en er zelfs de vertegenwoordigers van worden. Goed voorbeeld van die laatste positie is Anna Achmatova (1889-1966). Zij was er getuige van dat haar man en haar zoon afgevoerd werden naar de Siberische kampen. Met haar poëzie verwoordde ze niet alleen haar eigen verdriet maar ook de gevoelens van vele vrouwen wier familieleden werden terechtgesteld: 'Zoon gevangen, man gedood,/Bidt om bijstand in mijn nood'.''

De bundel 'Spiegel van de Russische poëzie van de twaalfde eeuw tot heden' is samengesteld door Willem G. Weststeijn en Peter Zeeman; uitgeverij Meulenhoff, Amsterdam; 395 blz; fl59,90 (paperback) fl79,90 (gebonden).

mailIcon print |