recensie 'Triomf van wijsheid, liefde en kracht' luidde de kop boven een recensie in deze krant van Mahlers achtste symfonie onder leiding van Riccardo Chailly. Die legendarische uitvoering vond plaats tijdens het Mahler Feest van 1995 in het Concertgebouw en betekende mede de doorbraak van Chailly als Mahler-dirigent in Amsterdam. Afgelopen donderdag, bijna vijf jaar nadien, presenteerde Chailly wederom deze gigantische opera-symfonie en het was alsof hij daarmee een vergulde koepel op een alsnog voltooide toren van Babel plaatste. Een uitvoering die reikte tot in de (zevende) hemel, zoals Mahler dat bedoeld moet hebben.
Het gevaar van een Babylonische spraakverwarring ligt in de Achtste op de loer, omdat Mahler de Pinksterhymne 'Veni, creator spiritus' om onduidelijke redenen koppelde aan het laatste deel van Goethe's 'Faust' met de slothymne 'Alles Vergüngliche'. Beide hymnen moeten van de componist met opzwiepende crescendi het universum ingeslingerd worden. In het eerste deel laat Mahler de beide solo-sopranen meer hoge c's zingen dan in tien Verdi-opera's bij elkaar. Grootser en grootser, hoger en hoger lijkt het devies van deze symfonie; een schreeuw om een plek in de hemel.
Chailly dirigeerde de symfonie in een redelijk rustig tempo naar een vervoerend slot, al kon hij de ultieme magie van die laatste maten (nog) niet zo groots realiseren als in '95. Hij wist de twee ongelijke delen magnifiek aaneen te smeden en gebruikte het voorspel tot het tweede deel als een soort opera-intermezzo tussen twee akten.
De partituur moet tot in ieder detail in Chailly's hoofd zijn opgeslagen. In al dat geweld van stemmen en instrumenten kon hij die details fantastisch hoorbaar maken (opruiende fortissimo-harpen bij 'In die Schwachheit hingerafft' bijvoorbeeld). Het prachtig uitgedirigeerde adagissimo als Mater gloriosa (etherisch gezongen door Ruth Ziesak) haar intrede maakt, klonk als pure Mascagni-muziek. Schitterend subtiel klonken de pianissimo-modulaties aan het begin van het tweede deel met onbeschrijfelijk mooie tonen van hoornist Jacob Slagter en het crescendo bij de terugkeer van het 'Veni, creator spiritus'-thema was verpletterend. Het Koninklijk Concertgebouworkest stak in topvorm.
Als de herinnering niet bedriegt was Chailly met name in dat eerste deel agressiever dan vijf jaar terug. De moderniteit van de akkoordovergangen bij 'hostem repellas' (verdrijf de vijand) werd bijtend-scherp duidelijk. Daar en elders kon Chailly vertrouwen op de uitstekend zingende koren (Groot Omroepkoor, Praags Philharmonisch Koor en kinderkoren uit Haarlem en Breda), die voor een belangrijk deel het succes van deze uitvoering bepaalden. Bij de solisten waren er wat zieken, maar vervangster Linda Mabbs behaalde een triomf als eerste sopraan en invalster Sara Fulgoni gaf met veel warmte stem aan de eerste alt-partij.
De combinatie van sopranen pakte heel gelukkig uit; het fijnzinnige geluid van Mabbs naast de meer veristischer tonen van Stephanie Friede was verrassend. Bariton Peter Mattei was meer dan voortreffelijk in zijn pogingen om in de allerhoogste regionen zacht te zingen en Jon Villars was in de moordende tenorpartij een openbaring. Wat een gezonde, prachtige stem! Tegenvallend in geluid en ritmiek was bas Jyrki Korhonen. Voor de opname die Decca volgende week van deze symfonie maakt, staat nog niet vast op de oorspronkelijk gecontracteerde zangeressen Sharon Sweet en Petra Lang van de partij zullen zijn.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.