*

 

Raadselachtige Bruno Listopad bewijst talent

Eva van Schaik − 14/01/00, 00:00

opinie Enig inzicht in eigen kunnen kan de Engelse, in Nederland werkzame choreograaf Martin Butler niet ontzegd worden. Getuige de titel die hij voor zijn gothic-achtige geflirt met Dansgroep de Châtel bedacht, verdient deze escapade al bij voorbaat de afdekking van een horizontaal zwart balkje. Dat grafische grapje suggereert dat wat Butler in de Châtels danshuis aan apocalyptisch gedonderjaag ziet, vast niet de inquisitie van de gevestigde dansorde zal doorstaan. Maar ach, het schrappen van een titel is toch essentieel wat anders dan het serveren van duivels vervelende humbug dat geen naam mag hebben.

Butler wist van de Châtels vertrouwen in zijn vermeende talent namelijk niet meer te maken dan een half uur knullig gekoketteer met mythische iconografie en beeldsymboliek. Geen mens kan van zijn puberale dansbeschimping wijzer worden, laat staan vrolijker. Daarvoor is de dans-beschimpende bijeenkomst in een rode kamer van zes secteleden en een goochelaar-god- choreograaf toch veel te simpel en te saai. Irritant is hooguit dat Butler doet alsof hij al het mythisch gewauwel van het avondland in pacht heeft. Kabbala, Knossos, Kurt Cobain, Derida, derido, slaap in, sliep uit met Bausch in Bauhaus te Butoh en klaar is kees, denkt deze dansuitdrijver. Kijk eens aan, hoe makkelijk dat gaat.

Arme Kristzina de Châtel, die het al jaren als haar verplichting aan de moderne dans ziet om nieuwlichters haar faciliteiten te bieden. Butler maakte er een semi-mystiek pantomimisch potje van, waarin geen interessante pas of dramaturgische verrassing opborrelt.

Hoe mislukt zijn opzet was bleek vanaf de seconde dat De Châtel zelf in zijn ritualistische ratatouille ingreep en er eigenhandig een pracht van een solo voor Suzan Tunca aanknoopte, als haar persoonlijke ontknoping. In deze lange danseres lijkt goochelaarster de Châtel haar eigen jaren zeventig nieuw leven in te blazen. Gestroomlijnde dansdrift wordt dus opnieuw onder hoogspanning gezet. Tunca treedt van achter de zwarte goochelaarscape als een zilverkleurige Karatide van de Akropolis naar voren. Met een enkele stuiptrekking door haar lange armen en sidderende nek maakt zij zich los uit haar versteende tempelpositie. Onder de door Dick Haubrich bewerkte Summertime blues (Gershwin) schudt deze beeldschone vrouw het stof van eeuwen van haar schouders, om met een verbluffende beheersing alle zojuist doorstane ellende naar het rijk der fabelen te verwijzen.

De Châtels wraak op de Engelse Butler zal zeker niet zo bedoeld zijn, maar haar wakker kussen van de antieke Aurora werkt wel als een bikkelharde terechtwijzing van haar kant. De heerseres van dit huis laat Butler zien hoe haar dansers ook behandeld en bediend kunnen worden, zeker als zij over dat magische charisma en de onverschrokken trefzekerheid beschikken die Suzan Tunca tot zo'n sterke danspersoonlijkheid maken.

Tot hoeveel dans haar dansgroep in staat is liet gelukkig wel de jonge Portugese danser en choreograaf Bruno Listopad zien. In zijn trio voor een man en een koppel is de dansruimte veranderd in een zaal van doorzichtig spiegelend staal. Het is er koud en kil, en de drie dansers lijken geen enkele greep te krijgen op hun lichaam. Ze glibberen, zwiepen en zwaaien als een stel gehandicapte vogels die een verbod op springen kregen opgelegd. In hun lichamen lijkt zelfs elk anatomisch verband of zintuigelijk houvast verloren.

Alle drie weten ze zich onderworpen aan een prikkelende doorlichting, in een huis of buis waarin zij naar een nieuwe zin- of regelgeving moeten zoeken. In al het gekronkel of gesplijt in doorwrochte dynamiek tasten zij elkaar en zichzelf af, soms verstarrend in poses, maar altijd in volledige overgave aan vaart en soepelheid. Ik mag een boon zijn als ik Listopads danstaal begrijp, maar intrigerend is het onvoorspelbare verloop in het boeten van zijn dansnet zeker. Eva-Marie Christ, Nicolas Legrand en Guilherme Monteiro Monto beheersen zijn dansschrift tot in de kleinste details en toch wekken zij de suggestie zich geen raad te weten met het feit dat zij tot een onder- midden en bovenlijf zijn veroordeeld.

Het blijft een raadsel wat, hoe en waarmee een mens dat medium vormt en beheerst. Even raadselachtig is daarmee de titel: 'Paradox in the house of guilt'. Maar ach, what's in a name?

mailIcon print |