*

 

Kant hardop lezen als Marilyn Monroe

Gertjan Vincent − 10/02/00, 00:00

recensie Debuteren is voor iedere schrijver een hachelijk avontuur. Als je dan ook nog het lef hebt om je boek de titel 'De grote ideeën' mee te geven, is dat bijna vragen om moeilijkheden. Maar de Amerikaanse Suzanne Cleminshaw (1964), die met haar onlangs verschenen roman 'The Great Ideas' onmiddellijk genomineerd werd voor de Whitbread Prize voor het beste debuut van 1999, is juist wars van pretenties.

Ze geniet zichtbaar van de belangstelling die ze met haar roman heeft losgemaakt. Hoewel ze alles bij elkaar zo'n zes jaar heeft gewerkt aan de totstandkoming van haar boek, voelt ze zich nog wat onwennig in haar nieuwe rol als 'schrijfster'. ,,Hoewel ik dat altijd heb willen worden, heb ik na één roman nog niet echt het gevoel dat ik me zo mag noemen'', zegt ze bescheiden.

'De grote ideeën' is een merkwaardige mengeling van feiten en fictie, een overzicht van de filosofische traditie gecombineerd met een thrillerachtige verhaallijn waarin de 13-jarige hoofdpersoon, Haddie Ashton, achter het geheim probeert te komen van de dood van haar zusje, dat onder raadselachtige omstandigheden vanaf de tweede verdieping naar beneden is gevallen. Tussen de bedrijven door zijn 'lijstjes' ingelast: opsommingen van voorwerpen en zintuiglijke ervaringen die voor Haddie van belang zijn. ,,Ik hou van lijstjes'', zegt Cleminshaw, ,,je kunt als het ware knoeien met de hiërarchie. Net zoals mythen zijn ze niet alfabetisch of numeriek geordend, zij doorkruisen dat soort systemen Ze vertegenwoordigen Haddie's persoonlijke encyclopedie in een volgorde die alleen voor haar betekenis heeft. Ik wilde haar dagelijkse dingetjes als tegenwicht gebruiken voor de grote ideeën, die de rode draad van het verhaal vormen.''

Haddie's bondgenoot is de 16-jarige Louis Lewis, een vroegwijs ventje dat liever boeken verslindt dan zijn huiswerk maakt en het prototype is van de briljante dwarsligger. Samen nemen ze het op tegen de wereld van de volwassenen, waarvan hun ouders de weinig inspirerende representanten zijn. Haddie's ouders zijn voornamelijk afwezig en laten de zorg over aan de werkster Leonora, een bijdehante en bijgelovige vrouw uit Alabama. Louis' moeder is lerares aan de etiquette-school, maar achter dat pantser heeft ze heel wat te verbergen. Haar man, van wie Louis betwijfelt of het wel zijn vader is, is meestal op reis, zodat ze in haar eentje de zorg voor haar zoon op haar frêle schouders torst. Bij gebrek aan steun van hun ouders zoeken Haddie en Louis hun toevlucht in kennis om een stevige basis in de wereld te hebben. Het vraagt wel enig inlevingsvermogen van de lezer om te geloven dat een 13-jarig meisje als Haddie, bij wie het vertelperspectief ligt, de inhoud van allerlei filosofische opvattingen op zo'n heldere manier kan verwoorden. Cleminshaw: ,,Ik heb me af en toe ook wel afgevraagd of het nog wel geloofwaardig was. In ieder geval heb ik geprobeerd om de juiste toon te treffen, zodat ze tegelijkertijd naïef zou klinken in wat ze beweert. Bovendien heb ik haar sommige dingen met opzet verkeerd laten begrijpen. Zo zegt ze op een gegeven moment dat ze houdt van de manier waarop sommige filosofen in fragmenten schreven, terwijl dat in werkelijkheid niet zo was: we hebben er alleen fragmenten van teruggevonden. Haar belangstelling voor dat soort zaken heeft natuurlijk ook veel te maken met haar bijzondere situatie: zij is opgezadeld met dezelfde naam als haar zusje dat kort voordat zij geboren werd stierf. Dat is op zijn minst een ongewone start. Ze heeft regelmatig last van duizelingen, weet niet waar die vandaan komen, maar denkt wel dat ze die kan genezen door feiten in boeken te lezen. Ze beseft dat haar algemene ontwikkeling enorme lacunes vertoont en besluit de schade te herstellen door systematisch de ideeën van de grote filosofen voor zichzelf op een rijtje te gaan zetten. De bewustwording van dat 13-jarige meisje heb ik willen verweven met de geschiedenis van de filosofie, die immers een weerslag is van de bewustwording van de mens. Haar vriendje Louis heeft natuurlijk ook veel invloed op haar. Hij is niet alleen een pretentieus jochie dat meer weet dan goed voor hem is, daar zit ook een drijfveer achter: hij wil zijn vader van repliek kunnen dienen, en zo raken ze allebei overspoeld door kennis die het gebrek aan een eigen ik moet compenseren.''

Het motto van het boek is ontleend aan een stelregel van de Baskische filosoof, dichter en romanschrijver Miguel de Unamuno y Jugo (1864-1936): ,,Alles wat vitaal is, is antirationeel en alles wat rationeel is, is antivitaal, en dit is de grondslag van de tragische zin van het leven.'' Zowel in de korte verhalen die Cleminshaw tot nog toe schreef, als in deze roman staan die tegenstelling tussen de kennis en het leven, de onverwachte verbanden tussen die twee en de conflicten die daaruit kunnen voorkomen centraal: ,,Ik wil dat contrast niet alleen abstract benaderen, maar ook door het introduceren van levensechte personages met hun ervaringen. De grootmoeder van Haddie, die er boeddhistische opvattingen op na houdt, staat tegenover Haddie's buurman, 'de vrijgezel', een voormalig astronaut, die een rationele wetenschappelijke achtergrond heeft. Aan de wieg van het westerse denken staat Socrates met vragen als: wat is het zelf, wie ben ik? Maar in het boeddhistische denken is er helemaal geen sprake van een individueel zelf: dat is een illusie. Het conflict tussen die twee benaderingen vind je min of meer terug in het leven van 'de vrijgezel'. Zijn ruimtereis heeft zijn leven ingrijpend veranderd: het werd een transcendente ervaring waarmee hij vanuit zijn rationele achtergrond niet goed raad weet. Ik ben gefascineerd door het contrast tussen het apollinische en het dionysische. Je vindt dat terug op alle niveaus: onder de uiterlijke beheersing van de moeder van Louis gaan bijvoorbeeld Dionysische emoties en agressie schuil.''

Cleminshaw studeerde 'creatief schrijven' aan de universiteit van New York en trok zeven jaar geleden naar Engeland om aan de universiteit van East Anglia haar opleiding in het schrijven te voltooien. Op het gebied van de filosofie is ze een autodidact. Ze trok er een paar jaar voor uit om zich in de materie in te lezen - een autobiografisch element dat ze in de persoon van Louis Lewis projecteerde - en worstelde zich door het werk van de grote denkers heen. Een uitgesproken voorkeur hield ze daar niet aan over. ,,Ik ben een soort ekster'', zegt ze, ,,ik pik overal wat van mee. Ik hou van Socrates en Plato: we kennen onszelf niet. Naar mijn idee kan niemand tippen aan het scepticisme van Hume, zijn denkbeelden hebben hun geldigheid nog steeds niet verloren. Voor Nietzsche heb ik ook grote bewondering, al geldt dat vooral de prachtige taal waarin hij zijn denkbeelden ontvouwt. Ik word een beetje moe van het postmodernisme en de ironische afstandelijkheid die daarmee gepaard gaat. Daar moeten we van af, ik wil iets waar ik in kan geloven, zonder dat het dogmatische trekjes vertoont.''

Van de filosofen, die haar inspireerden heeft ze de standaardwerken wel gelezen, maar bij anderen heeft ze zich beperkt tot de secundaire literatuur: ,,Van Hegel en Kant heb ik maar een paar stukjes geproefd'', bekent ze. ,,De hoofdlijnen heb ik vooral uit samenvattingen opgepikt. Het werk van Kant vond ik niet om door te komen en ik verveelde me daarbij zo, dat ik het hardop met verschillende stemmetjes ging lezen om het maar een beetje interessanter te maken. Ik kwam er achter dat een imitatie van de stem van Marilyn Monroe bijzonder bruikbaar is om dat werk verteerbaar te maken.'' Ze geeft spontaan een demonstratie. Met een hees, verleidelijk stemmetje fluistert ze: ,,Ik heb een categorische imperatief. . .'', en schatert het vervolgens uit.

De combinatie van voornamelijk klassieke denkbeelden met een plot dat de spanning erin houdt, roept onwillekeurig associaties op met de bestseller van haar landgenote Donna Tartt, 'The Secret History', het boek dat enkele jaren geleden verscheen. ,,Ik heb daar niet zo'n moeite mee'', zegt ze. ,,Dat lag wat anders toen dat boek net uitkwam. Ik was toen al begonnen met het schrijven van mijn eigen roman en dacht: verdorie, nou heb ik er zoveel moeite in gestoken en dan komt iemand anders met míjn boek op de markt! Ik had het op dat moment nog niet gelezen, maar toen ik dat wel gedaan had - ik vond het overigens prachtig - realiseerde ik me dat het absoluut niet vergelijkbaar was. Dus als ze nu naar dat boek blijven verwijzen, beschouw ik het maar als een compliment. Van zo'n succesdebuut kun je toch alleen maar dromen?!''

Met de publicatie van 'De grote ideeën' heeft Suzanne Cleminshaw een droom gerealiseerd: ,,Ik heb van jongs af aan met mijn neus in de boeken gezeten. Soms denk ik dat ik die wereld verkies boven het echte leven, het is minder problematisch. Door te schrijven kun je je eigen wereld creëren. Ach, misschien is het wel een ideale uitlaatklep voor eenzame mensen.''

mailIcon print |