recensie Zeven schrijvers waagden zich in 1989 aan een estafette-feuilleton, die verscheen als Knippenbergs krant. De personages zijn amusante afspiegelingen van henzelf. Elf jaar later verzon Joost Zwagerman een overdonderd slot. Het geheel is nu door De Bezige Bij uitgegeven. Een reconstructie van het verhaal, een voorspelling van de gevolgen.
'Matthijs de Schrijver... tot nu toe wisten wij zelfs niet of dat zijn werkelijke naam is - of was. Heet een schrijver inderdaad De Schrijver, dan is het natuurlijk een toevalligheid, maar dat soort toevalligheden komt vaker voor.'
Zo begon Harry Mulisch, op zijn geheel eigen wijze, elf jaar geleden aan een verhaal dat vrijdag als roman gepresenteerd werd, en vanaf vandaag in de boekhandel ligt: 'De Schrijver'. Het boek is een literaire estafette, waaraan werd deelgenomen door Gerrit Komrij, Adriaan van Dis, Maarten 't Hart, Remco Campert, Marga Minco en Hugo Claus. Maar omdat de mastodonten van de Nederlandse letteren het verhaal kolderiek hadden laten ontsporen, duurde het elf jaar voordat er een deus ex machina op de proppen kwam, die aan al de verwarring een einde maakte, en de voorafgaande toevalligheden tot een min of meer logisch geheel smeedde. De ontknoping die Zwagerman verzon is een openbaring, en het is maar de vraag of de zeven anderen er blij mee zijn dat het best bewaarde geheim van de Nederlandse letteren nu publiek is.
Het verhaal van 'De schrijver' laat zich nauwelijks samenvatten. Zoals Mulisch terecht zegt, weten we eigenlijk niets van deze Matthijs de Schrijver - ,,behalve dan dat hij in 1947 zijn eerste en enige roman publiceerde: Weerzin.''
Mulisch acht het onnodig uit te wijden over dit meesterwerk, dat tot de toppen van het naoorlogse proza behoort. Zelden was het absurde levensgevoel na die na-oorlogse jaren beklemmender verwoord. Hoewel Mulisch toch niet bekend staat als een liefhebber van het Hollandse realisme geeft hij toe dat 'Weerzin' een schrijnend- naturalistisch werk is, en zelfs in de grofste passages hoort het geoefende oor een diepreligieuze ondertoon. Maar van De Schrijver zelf geen spoor. ,,Ook zijn toenmalige uitgever,'' schrijft Mulisch, ,,heeft hem nooit van aangezicht tot aangezicht gezien, noch collega's uit die jaren.''
Men heeft natuurlijk wel van alles geopperd: Matthijs de Schrijver zou bij de SS hebben gezeten, jong zijn gestorven, zijn heil in Argentinië hebben gezocht, of er zou achter dit pseudoniem een auteur schuilgaan die nog steeds publiceert.
Hoe het ook zij, op een dag duikt er een manuscript op dat is ondertekend met Matthijs de Schrijver: 'Een Hollandse roman. Vaderlandse letteroefening.' De tekst - een pastiche op werk van Gerard Reve - komt op het bureau terecht van de letterkundige Ton Botvanger, die al decennia probeert te achterhalen wie er schuil gaat achter het meesterwerk 'Weerzin'.
Gerrit Komrij stuurt Botvanger vervolgens naar Parijs, in de hoop de bezorger van het manuscript Mies van Waerden te spreken te krijgen. Maar Botvanger vangt bot, het enige dat hij op een gegeven moment denkt te weten is dat De Schrijver in contact moet hebben gestaan met de heer of mevrouw Van Waerden en met de schrijver Theo Ego - een andere literaire coryfee, bekend van de roman 'Het Grenen Luchtbed'.
Omdat de problemen er gaandeweg de estafette niet geringer op worden, roept Adriaan van Dis de hulp in van een schrijvende detective. Deze man, Hendrik Werker genaamd, meent dat de sleutel van het raadsel bij Theo Ego te vinden moet zijn. Om de gelauwerde schrijver te spreken te krijgen bezoeken ze restaurant 'De Wintertuin', een door de beau monde gefrequenteerd etablissement. Ego dineert hier wekelijks met zijn Herenkring, waartoe ook een oud-minister behoort, en de schrijver Eikendans, die graag snoeft over zijn zeventien buitenlandse uitgevers.
,,Een minuut voor halfnegen kwam Theo Ego binnen,'' schrijft Van Dis, ,,slank, zonbruin als een filmster, de jas los over de schouders en een kraag van panterbont. (...) Ego leek voor de Riviéra gekleed. Een witte broek, witte schoenen en een blauwe blazer, op zijn revers prijkte een grote witte anjer.''
Maar helaas, Botvanger en Werker komen weinig meer te weten. De Herentafel wordt overvallen en ondergespoten met groene verf. De overvaller ontsnapt, ondanks de heldhaftige poging van Ego de man in de kraag te grijpen.
Het verhaal neemt nu verschillende absurde wendingen, Maarten 't Hart introduceert bijvoorbeeld een nieuw personage en laat het manuscript van 'Een Hollandse roman', dat al die tijd rustig in een bureaula van Botvanger lag, verdwijnen.
Remco Campert moet hardhandig ingrijpen: het voorafgaande was een grote, vreselijke droom van Ton Botvanger, een zevenentwintigjarige nietsnut, die loopjongen bij een gerenommeerde uitgever is. Als de jongen zijn nachtmerrie probeert op te schrijven, geeft Campert een kundige en inmiddels noodzakelijke samenvatting van het verhaal:
,,Er was sprake van een schrijver die niemand ooit in levenden lijve had ontmoet en die meer dan 40 jaar geleden een succesroman had geschreven en vervolgens nooit meer iets van zich had laten horen. Die schrijver heette Matthijs de Schrijver(sic!). In mijn idiote droom was ik neerlandicus en kreeg ik een manuscript toegestuurd dat een nieuw, althans nog onbekend, verhaal van die s(S)chrijver bleek te behelzen, maar het was niet door de auteur zelf verzonnen.''
Hoe moedig deze poging tot het scheppen van orde ook zijn mag, Marga Minco en Hugo Claus weten het verhaal weer te omhangen met magistrale sluiers van onbegrip.
Toch rijst langzamerhand wel de vraag wat de grote meesters moet hebben bewogen deze De Schrijver, deze auteur van maar één werk, zo te mystificeren? Was de man te groot? Was zijn werk te opzienbarend? Zouden zij in zijn licht opgaan, zoals het vlammetje van een lucifer in het vuur van de zon?
Dit inzicht moet bij Joost Zwagerman een decennium later zijn ingeslagen, als een meteoriet bij een personage van Harry Mulisch. En het is dít inzicht dat zijn zeven voorgangers met al hun literaire mogelijkheden hebben proberen te verdoezelen!
In het slothoofdstuk ontdekt Botvanger namelijk dat Matthijs de Schrijver de Grote God van het naoorlogse proza is. Niet vanwege zijn roman 'Weerzin', maar vanwege het nauwelijks te bevatten feit dat hij een alwetende buikspreker is, de Heiland van de na-oorlogse auteurs.
,,Nederland kampte na de Tweede Wereldoorlog met een gebrek aan talent,'' zo laat Zwagerman de langgezochte auteur opmerken. ,,Tegelijkertijd bestond er onder de bevolking een enorme behoefte tot lezen.''
Omdat de meeste schrijvers slakken zijn, bleek niemand aan die behoefte te kunnen voldoen. Behalve Matthijs de Schrijver, hij produceerde toen zo'n vier, vijf romans per week. Maar goed, als een land maar één schrijver heeft, zou het volk denken in een dictatoriale leescultuur te leven. ,,In het diepste geheim en met goedkeuring van de toenmalige regering is besloten mijn talenten uit te spreiden over een aantal pseudo-auteurs. (...) En tot op de dag van vandaag schrijf ik (...) zo'n vijfennegentig procent van al het proza, poëzie en essayistiek die in dit land verschijnt.''
En wie mogen deze pseudo-auteurs zijn? Inderdaad, onder vele anderen ook de schrijvers die de literaire estafette in een chaos hebben laten ontaarden. Terecht, want uit angst voor ontmaskering hebben ze uit alle macht geprobeerd te voorkomen dat de ware identiteit van De Schrijver onthuld zou worden. ,,Iedereen denkt dat hij de enige pseudo-schrijver is. Iedereen is dus bang om ooit ontmaskerd te worden. Die angst is de beste garantie voor het voortbestaan van deze succesformule.''
Voor de zeven meesteroplichters moet de presentatie van 'De schrijver' afgelopen vrijdag een vreemd moment zijn geweest, na al die jaren hebben ze alsnog hun eigen graf gegraven. Mulisch heeft wel eens gezegd dat je het veiligst bent in de directe omgeving van groot gevaar, zoals het stil is midden in een storm. Uitgaande van die gedachte moet hij ooit de eerste zin geschreven hebben van een verhaal dat gevaarlijker was dan al zijn andere werk.
Natuurlijk was het geen toeval dat De Schrijver schrijver was - Mulisch wist dat. Maar toen het lontje eenmaal brandde, wat konden ze toen nog doen, deze pseudo-mastodonten van de Nederlandse letteren? Ontkennen? Publicatie weigeren? Het zou het levenswerk van Matthijs de Schrijver alleen maar onderschrijven. En dus kon Joost Zwagerman ongehinderd een waarheid verkondigen die een Hollandse oerknal zal veroorzaken.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.