recensie Er is meer bezienswaardigs onder het aardoppervlak dan de meeste mensen vermoeden. Je hebt druipsteengrotten in soorten en maten. En grotten met prehistorische tekeningen, die nu veelal worden gesloten voor publiek om de vaak wazige voorstellingen zoveel mogelijk te sparen. Maar er zijn nog veel meer geheime werelden onder de grond. Vandaag het vierde en laatste deel van een korte serie, een oude mijn in België.
Zoals Sinte Barbara ooit over hun leven waakte, zo waken de ex-mijnwerkers nu over haar. Haar beeld aan de buitenmuur van de mijn van Blegny wordt dag en nacht verlicht. Vraag niet of zij het nodig heeft, het is de uiting van hun dankbaarheid tot op de dag van vandaag. Want het is alweer 21 jaar geleden dat Blegny als laatste kolenmijn in Wallonië zijn poorten sloot. Bij eerdere mijnsluitingen had de laatste mijnwerker het licht uitgedaan en waren de mijngebouwen aan de elementen prijsgegeven. Hier was men van meet af aan erop ingesteld om de geschiedenis van de mijnbouw in Wallonië te bewaren.
Als je van Maastricht naar Luik rijdt, zijn de eerste tien kilometer keurig aangeharkt. Maar kort na de grens verandert met de taal ook het landschap. Rommelig is nog mild uitgedrukt. Vooral het Maasdal is een kerkhof van afdankte industrieën. Tussen de ruïnes bespeurt het getrainde oog echter enkele juweeltjes. Een wapperende vlag tegen de hellingen markeert een fraaie betonnen schachttoren en daaronder zelfs een fraai gedetailleerde Malakoff-toren. Zou dat het mijnmuseum van Blegny zijn? Maar nee, dat beschikt niet over zo'n passende entourage. Blegny ligt vanuit het dal onzichtbaar bovenop het plateau en ziet eruit als een Engels mijnwerkersdorp. Dorp, sintelberg en schachttoren. Net als in Engeland is met het verdwijnen van de mijnindustrie ook de welvaart verdwenen. Winkels zijn er nauwelijks meer.
Antraciet
Blegny was een moderne mijn en tot op het laatste moment min of meer rendabel. Hier werd antraciet gedolven, magere kool, bij uitstek geschikt voor huisbrand. De mijn van Blegny is een van de laatste uitlopers van het grote kolenveld dat zich uitstrekt van Zuid-Wales via Noord-Frankrijk en het Sambre-Maas bekken naar Aken. Waar de aardlagen zich vanuit het Maasdal omhoog plooien, komen de kolenlagen vrijwel aan de oppervlakte. Een mooie kwaliteit kool op geringe diepte met weinig (explosief) mijngas, wat wil je nog meer? Als de mijndirectie een wens had mogen doen, dan waren het dikkere kolenlagen zonder geologische breuken. Niet alleen waren de kolenlagen dun, met een minimum van 60 cm, ook bleken mooie kolenlagen plotseling op te houden. Moeizaam, dan wel onmogelijk om de aansluiting met nieuwe lagen te hervinden.
Het doodvonnis
De stichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal in 1956 betekende het begin van het einde. Geleidelijk ontstond er een gemeenschappelijke markt, die op termijn de oneconomische Belgische (en Europese) mijnbouw de das om zou doen. In het tijdperk van aardolie en kernenergie was de klassieke kolenmijnbouw onrendabel geworden. In Nederland werd dat eerder beseft dan in België. Werden bij ons de moderne mijnen met staatssteun gesloten, in België werden de mijnen met staatssteun opengehouden. En dat gold niet alleen voor de relatief moderne Vlaamse mijnen, maar ook voor de zwaar verouderde Waalse mijnindustrie. Maar het doodvonnis was getekend. Eén voordeel had deze uitgerekte doodsstrijd. In België had men meer tijd om over het behoud van een deel van het mijnleven na te denken. Er zou in elk geval een mijn behouden blijven. Helaas was dat niet de mooie mijn in Cheratte, maar het wat lelijker zusje in Blegny. Die was moderner, en lag aanzienlijk hoger en daarmee droger, dacht men. De waterpompen zouden niet worden stopgezet, een deel van het onderhoudswerk ging gewoon door.
Nog geen halfjaar na het staken van de kolenwinning werd de mijn van Blegny voor het publiek opengesteld. Niet al te florissante bezoekcijfers en met name het opdringende grondwater waren de redenen om de mijn enkele jaren later te sluiten. Goede raad was duur, maar het behoud van oude arbeiderstradities mag in Wallonië een lief centje kosten. Op de geringere diepte van 30 en 60 meter werden twee nieuwe mijngangen gegraven en een nieuwe kolenlaag aangeboord. En opnieuw was het publiek welkom.
De lift
Een bezoek aan de mijn begint in de kleedruimte van de mijnwerkers. Voor iedereen is er een overall en een bouwvakhelm. Geen verplichte gang langs de lampenkamer, waar de mijnwerkers tegen inlevering van een genummerde penning een mijnlamp kregen uitgereikt. Wanneer een mijnwerker bij het wisselen van de shift in de mijn achterbleef, was dat meteen duidelijk. Een eenvoudig en doeltreffend systeem. Onmiddellijk bekruipt me de vraag hoe dat nu is geregeld. Het impliciete antwoord volgt als we op de lift staan te wachten. Onze gids, een Vlaamse oud-mijnwerker, roept de liftkooi naar boven. Vroeger werd de lift bewaakt door een mannetje boven en een mannetje beneden. Nu moet hij vertrouwen op de techniek. ,,Werd vroeger de lift elke twee weken gecontroleerd door het mijnwezen, nu gebeurt dat nog maar elk halfjaar. En dit jaar heb ik ze nog niet gezien'', zegt hij.
Het bezoek onder de grond stelt eigenlijk wat teleur. In ganzenpas lopen we door een gang naar het begin van de kolenzoom. Hier loopt die schuin omhoog. De dikte is niet veel meer dan een meter. Werkendeweg werden de stutten geplaatst die moesten voorkomen dat de zaak instortte. Hakkers boorden met grote boren de kolen los. Mindere goden versleepten de kool en laadden die in lorries. Uiteindelijk trok een locomotief de volle lorries naar de lift. Daar werden ze omhoog gehesen naar een platform waar de kolenwasserij zich bevond. Hier werd de kool gescheiden van meegekomen gesteente. Wasserij moet inderdaad letterlijk genomen worden. Kool en steen werden in een bad met verzwaard water gestort. Daarin kwamen de kolen bovendrijven, terwijl de stenen naar de bodem zakten. De steen werd afgevoerd naar de stortberg.
Mooier zijn de verhalen over de oude tijd toen er nog geen pneumatische hamers, compressoren en treintjes waren. In den beginne was het natuurlijk allemaal handwerk. Eerst moesten kinderen kisten met kolen naar de primitieve liften sjouwen. Vreselijke kinderarbeid. Later kwamen er paardjes die kiepkarretjes voorttrokken over rails. Hoe ongezond het leven ondergronds ook was voor mensen, de paardjes hadden het nog zwaarder. Nadat ze eenmaal in de mijn waren afgedaald, zagen ze nooit meer het daglicht. Net zoals mensen kregen ze stoflongen en op den duur werden ze blind.
De mare dat het werk onder de grond slecht voor mensen was, leidde allengs tot minder enthousiasme. Mijnwerkers die met pensioen gingen konden niet vervangen worden door Belgen. Polen, Oekraïners en steeds vaker Italianen namen hun plaats in. Zware mijnongevallen deden de lust tot een ondergronds bestaan verder afnemen. Een kentering was de ramp van Bois de Cazier bij Charleroi in 1956, waarbij 262 mijnwerkers de dood vonden. De impopulariteit van het mijnwerkersbestaan gevoegd bij de onrendabele productie betekenden tenslotte het einde.
Tegenwoordig vind je de minipaardjes met schapen en geiten bij de kinderboerderij van Blegny. De mijn is een uitstapje geworden voor het hele gezin.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.