recensie Terwijl van Plato de volledige werken al herhaalde malen in het Nederlands zijn vertaald, is het veel grotere oeuvre van zijn leerling Aristoteles er tot voor kort bekaaid afgekomen. De voornaamste reden lijkt te zijn dat Plato behalve wijsgerige ook literaire ambities had, die hij kon uitleven in de dialoogvorm die hij voor zijn werken koos. Aristoteles was wellicht een even groot stilist, maar hij heeft de pech gehad dat zijn literair-filosofische werken, die door latere filosofen in de Oudheid worden vermeld, verloren zijn gegaan. Op grond van de vele geschriften die wel bewaard zijn gebleven wordt hij, zeker in vergelijking met Plato, doorgaans als een nogal droge, typisch 'wetenschappelijke' auteur beschouwd, een imago dat ook door stroeve vertalingen in de hand is gewerkt.
Toch lijkt Aristoteles aan een inhaalrace te zijn begonnen. De laatste paar jaar zijn er al een paar belangrijke vertalingen verschenen, en er staan er nog meer op stapel. De laatste aanwinst is 'De ziel', dat zeker tot Aristoteles' belangrijkste en invloedrijkste werken mag worden gerekend. Het is echter ook een heel lastig en soms zelfs amper begrijpelijk boek, zoals vertaler Ben Schomakers in zijn uitvoerige inleiding opmerkt.
Daarin rekent hij trouwens ook af met de opvatting dat het, evenals andere overgeleverde werken, om college-aantekeningen zou gaan, van Aristoteles zelf of van zijn toehoorders. 'De ziel' is veeleer in een schetsmatige toestand blijven steken, het was een werk in uitvoering, met veel passages die ook volgens de schrijver zelf ongetwijfeld nog verduidelijking behoefden.
Aristoteles is in 'De ziel' zowel filosoof als wetenschapper. Aan het begin van het tweede deel geeft hij een paar filosofische definities van de ziel, zo summier dat nadien talloze geleerden zich er het hoofd over hebben gebroken; Schomakers besteedt er in zijn inleiding veel aandacht aan, en geeft een vernuftige, goed onderbouwde interpretatie. Maar in de rest van het boek spelen deze omschrijvingen nauwelijks meer een rol, en bedrijft Aristoteles wat wij nu 'biologie' en 'psychologie' noemen.
Dat is ook het verwarrende aan het begrip 'ziel' ('psuchè'), zoals hij het gebruikt. Hij ziet de ziel enerzijds als een algemeen levensbeginsel, en kent haar in die zin ook toe aan dieren en zelfs planten. Anderzijds heeft hij het vaak alleen over de menselijke ziel, die samenvalt met wat we 'geest' plegen te noemen; zij wordt dan het 'domein van de innerlijkheid', zoals Schomakers schrijft.
Pas Descartes zal met deze dubbelzinnigheid breken, door het woord 'ziel' (ame) alleen nog in de laatste zin te gebruiken; dieren hebben volgens hem geen ziel, en dat zij leven verklaart Descartes door de 'levensgeesten' die met het bloed door het lichaam worden vervoerd, en die lijken op 'heel zuivere en levendige vlammen'. Het is meer een kwestie van woorden, want het Griekse 'psuchè' , zo lezen we bij Schomakers, lijkt oorspronkelijk nu juist de betekenis te hebben gehad van levensenergie, 'de levensenergie die zich door de aderen van het lichaam wringt', en die betekenis werkt ook nog door bij Aristoteles.
Door ook aan planten en dieren een ziel toe te kennen benadrukt Aristoteles de eenheid van de levende natuur. De menselijke ziel is als het ware uit drie lagen opgebouwd: een plantaardige ziel die zorg draagt voor de voortplanting en voor de groei, door het opnemen en verwerken van voedsel (we spreken nu nog van ons 'vegetatieve stelsel'), een dierlijke ziel die verantwoordelijk is voor de twee-eenheid van zintuiglijke waarneming en streven, waardoor ruimtelijke orientatie en voortbeweging mogelijk worden, en ten slotte een specifiek menselijke ziel, de 'geest', als zetel van de rede of het denkvermogen.
Aristoteles' analyse van enerzijds het streven, en anderzijds de zintuiglijke waarneming en het denken, als twee onderscheiden maar onderling nauw verbonden domeinen van de dierlijke en menselijke ziel, lijken mij tot zijn grootste prestaties te behoren. Hij is ook de eerste filosoof geweest die min of meer stelselmatig heeft nagedacht over de menselijke wil, het streefvermogen op het niveau van de rede.
Dat doet hij met name in een commentaar op Plato's driedeling van de menselijke ziel, als zetel van de lichamelijke begeerten, van de drift of hartstocht en van de rede. Deze driedeling verwerpt Aristoteles volgens mij geenszins, zoals Schomakers lijkt te suggereren in zijn vertaling van 432b5-7, maar hij perkt haar in en maakt haar consistent, door 'rede' in dit verband te vervangen door 'wil', zodat het nu alleen om drie niveaus van 'streven' gaat.
Overigens mag Schomakers vertaling als een grote prestatie worden beschouwd, zeker gezien de hoge moeilijkheidsgraad van de oorspronkelijke tekst. Samen met de inleiding en de uitvoerige aantekeningen maakt zij 'De ziel' tot een voorbeeldige en welkome uitgave.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.