Als gespreksonderwerp heeft er tientallen jaren lang een doem op gelegen, maar de laatste tijd lijkt het taboe volledig te zijn geslecht: de dood is helemaal in. Vertrouwde rituelen die het sterven omgeven, blijken hun langste tijd te hebben gehad en worden momenteel alom aan herziening onderworpen. Trendwatchers volgen deze ontwikkeling met nauwverholen belangstelling: her en der zijn al de eerste designwinkels gesignaleerd die een nieuwe vorm aan begrafenisrituelen geven.
Die herleefde belangstelling voor de dood is trouwens niet nieuw. In de Middeleeuwen is er een tijd geweest dat de dood ontdekt werd als een gegeven dat bij het leven hoorde. Aan de vooravond van de renaissance begonnen kunstenaars in te zien dat de mens sterfelijk was. Die 'ontdekking' stond haaks op wat ze tot dan toe moesten schilderen, namelijk religieuze voorstellingen met wederopstandingen en eeuwige levens. Wat volgde was een stoet voorstellingen waarin de mens het tijdige met het eeuwige verwisselde, waarin het sterven een belangrijk onderwerp werd en de bekommernis om de zielenrust centraal kon staan.
Het leidde tot een zelfstandig thema in de schilderkunst: de memorietafel is in de zestiende eeuw in grote aantallen gemaakt, als gevolg van de behoefte om mensen na hun dood te herdenken. De memorietafels waren in feite monumenten die een portret van de gestorvene, vaak met zijn familie erbij, en een religieuze voorstelling combineerden. Ze kwamen terecht in kerken en kapellen, vlakbij het graf, of als altaarstuk in een grafkapel.
Een aantal van die memorietafels, aangevuld met voorstellingen uit getijdenboeken en andere schilderijen die de dood als onderwerp hebben, is te zien op de grote winterexpositie in het Museum Catharijneconvent in Utrecht. Het is zo'n presentatie waar het museum bijzonder veel werk van maakt: een nieuw onderwerp dat van verschillende kanten belicht wordt, een vracht aan 'bewijsmateriaal' en een boek dat uitputtend over het onderwerp informeert.
Al die moeite ten spijt moet gezegd worden dat deze nieuwe visie op het laat-middeleeuwse sterven nog niet garant staat voor een bevredigende tentoonstelling. Dat komt in de eerste plaats door de titel die als 'leven na de dood' appelleert aan ieders nieuwsgierigheid hoe het leven ná het sterven eruitziet. Die nieuwsgierigheid wordt op de stemmig ingerichte tentoonstelling geen moment geprikkeld. In feite gaat het daar ook niet over: met het tonen van de memorietafels wordt een beeld gegeven van blakend gezonde mensen die door de nabestaanden herdacht worden. Misschien dat daarom de ondertitel 'Gedenken in de late Middeleeuwen' aan de expositie werd meegegeven. Van het sterven zelf is hier en daar wel iets te zien als het gaat om een symbolisering van de dood, maar van een concrete uitbeelding van de hemel is zo goed als geen sprake, illustraties in enkele mooie gebedenboeken daargelaten.
Doordat de memorietafels in feite van matige kwaliteit zijn -ze worden in Utrecht als fenomeen getoond, op hun schilderkunstige waarde wordt nauwelijks ingegaan- ontstaat ook de vraag of ze van meer dan historisch belang zijn geweest. De meeste makers van deze monumenten zijn van geringe faam. Dat kan erop wijzen dat het schilderen van de memorietafels een nevenactiviteit was voor schilders die niet afhankelijk wilden zijn van dergelijke opdrachten.
Toch kwamen er in het uitbeelden van deze schilderijen veel talenten tezamen: de schilder moest niet alleen een goed portrettist zijn, maar hij behoorde ook de Bijbel goed te kennen: de nabestaanden kregen op last van de gestorvene een boodschap mee met een bijbelse oriëntatie. Nu kende de Middeleeuwer de Bijbel van voor tot achter, maar een goede interpretatie was nog iets anders.
De meeste memorietafels staan dan ook bol van de kennis, waardoor ze nogal droog en betweterig overkomen. Mede door de sterke eenvormigheid boeien ze niet lang.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.