*

 

Teksten spuitend van bloed en madrigalen als pleisters

Hans Oranje − 24/01/00, 00:00

opinie 'Met gruwelen heb ik mij zat gegeten. Het ijselijkst bericht verwekt geen rilling meer.' De zinnen klinken als een psalmvers, een klacht van de dichter over vele verschrikkingen die hij heeft aanschouwd. Er gaat een grote wanhoop van uit: alles wat het leven zin gaf, is tot as in zijn mond geworden.

In werkelijkheid komen de zinnen uit een bewerking van de 'Macbeth' van Shakespeare door Tom Blokdijk. De spreker is de onderdaan die zelf zijn koning vermoordt. Het stuk 'Bloeddorst', waarvoor Blokdijk dit Shakespeare-fragment gebruikte, probeert in vier taferelen de bloeddorst te beschrijven die onder alle primaten op aarde het meest de mens karakteriseert.

Het stuk wordt gespeeld door Hollandia, en wel door de twee mannelijke acteurs van dit gezelschap die niet alleen de absolute top van deze groep vertegenwoordigen, maar ook in het hele Nederlandse toneelgilde slechts enkele gelijken hebben. Als je na enkele barre toneelervaringen weer eens in de put zit en je afvraagt waarom je toch in vredesnaam zo'n idioot was dat je van toneel ging houden, is het genoeg Jeroen Willems te zien spelen. Zijn licht krakend stemgeluid, zijn eindeloos melancholieke blik, maar vooral zijn volstrekte meesterschap over een tekst, de indeling ervan, de manier waarop hij de grammatica ervan proeft op zijn tong, en de woorden en zinsdelen tot klinken brengt, zijn superieur. Zijn tegenspeler, Peter Paul Muller, groeit gestaag naar zijn hoogte toe.

Willems opent het eerste deel van 'Bloeddorst'. De twee heren zitten, half liggend, naast elkaar op een hoog podium in buitengewoon beschaafde, grijs gelakte doodskisten. Tussen hen in ligt een berg knollen, kolen en kroppen groenten; in enkele steekt een slagersmes. De kisten hebben ook iets van een badkuip, want als Willems als eerste gebaar een arm over de rand laat hangen, roept hij meteen het befaamde schilderij van de in bad vermoorde Marat op en zet de toon voor zijn verhaal.

Dat verhaal is een fantasie hoe hij voor zijn kameraad een doornenkroon zal snijden en die in het vlees zal drukken. Vervolgens beschrijft hij, in een licht zuidelijk dialect, de overige martelingen, waarbij hij een rode kool suggestief aan flarden snijdt. De scène heeft veel weg van een rituele moord, die bij wijze van verzoening wordt afgesloten met een door beiden gezongen madrigaal van Claudio Monteverdi, begeleid door toetsenist William Bakker, die van achter zijn elektronische batterij even lieflijk Monteverdi laat klinken als rauw de composities van Florentijn Boddendijk.

De tweede en derde scène zijn 'literatuur': een fragment uit Vondels 'Gijsbregt' over de slachting van de Amsterdamse burgers, de Klarissen en bisschop Gozewijn, maar dan verteld door de slachter zelf, de heer van Egmont, en het al genoemde Macbeth-fragment. Hier is Muller de verteller, en hij doet dat als een spelend jongetje, een leren muts over de kop getrokken als helm, en proestend met zijn lippen om het geluid na te bootsen van ijzer dat zich bloedsoppend in vlees boort. De lap stof die de ruimte onder het podium afsloot, wordt weggehaald en blijkt de speelkamer van het jongetje te zijn: een naakte vrouwelijke etalagepop, een dode hond en, op de hond, een tv-toestel, waar het jongetje af en toe gaat bijtanken voor al het gruwelijks dat hij te behandelen heeft.

Pas in de vierde scène blijkt welke lijn regisseur Johan Simons trekt: de fantasieën en het kinderspel monden uit in de nagespeelde en bekende confrontatie van de oorlogsmisdadiger Mladic en de maar al te coulante overste Karremans aan de vooravond van de val van Srebrenica.

De vervlechting van waarheid en fantasie in dit exposé over moordzucht heeft geen bevrijdend moment, geen katharsis. De madrigalen van Monteverdi zijn een breekbaar omhulsel van beschaving, waar het geweld steeds barbaarser doorheen breekt. Het eigenlijk verontrustende van 'Bloeddorst' is dat het geweld, naarmate het zinlozer en weerzinwekkender wordt, zijn eigen schoonheid krijgt. Daardoor is de realiteit van Srebrenica, tegenover de fantasie, het kinderspel en de fraaie vormen van de voorgaande taferelen, ronduit beangstigend.

mailIcon print |