*

 

'Papenjong' beschuldigd van moord

PETER DE BOER − 18/11/00, 00:00

recensie De Tachtigjarige Oorlog vormt een aparte speelhoek in onze jeugdliteratuur. De wijze waarop een handvol natte gewesten zich aan het juk van het machtige Spaanse rijk heeft ontworsteld spreekt bij kinderen nog altijd tot de verbeelding. Elke variant op David en Goliath (of Klein Duimpje en de reus), waarin het kleine en goede het grote en boze overwint, is voor de jeugd nu eenmaal verleidelijk. Het is daarom geen wonder dat talloze jeugdboekenschrijvers uit deze stof hebben geput. Dat geldt zowel voor de ouden als Joh. H. Been of W.G. van de Hulst, als voor de modernen als Thea Beckman, Henk van Kerkwijk of Bies van Ede.

Met 'Vals beschuldigd', waarin de moord op prins Willem van Oranje in 1584 centraal staat, knoopt de schrijfster Joyce Pool dus aan bij een lange traditie. Het is haar debuut en dat is aan de wat vlakke stijl en bepaalde onhandigheden wel te merken ook. Toch is het een boeiend en in deze context zelfs origineel boek. Dat is vooral te danken aan de uitstekende portrettering van de hoofdpersoon, Job Lukasz, die zonder twijfel een (morele) held genoemd mag worden maar aan het slot desondanks de indruk van een anti-held achterlaat.

Wat de omstandigheden rond de moord op de prins betreft houdt Joyce Pool zich nauwkeurig aan de historische bronnen. Zij memoreert dat de prins, door Philips II in de ban gedaan en met een forse prijs op zijn hoofd, al voor zijn vertrek naar Delft, eind 1583, slachtoffer was van een aanslag. In feite was elke religieuze fanaticus of criminele fortuinzoeker een potentieel gevaar en aan het verijdelen van geplande aanslagen op de prins had diens omgeving haar handen vol. Ook de figuur van Balthazar Gerards, die zich onder de naam Francois Guyon voordeed als een vurig calvinist en het vertrouwen van het Delftse hof wist te winnen, wordt in grote lijnen authentiek geschetst. De moord zelf en Gerards terechtstelling enkele dagen later worden door Pool kort en zakelijk aangestipt zonder in gruwelijke details te treden.

Binnen dit historische decor heeft de schrijfster in het relaas van Job haar fantasie de vrije loop gelaten. Job is de zoon van de stalmeester van de prins. Hij is met zijn ouders, vooruitlopend op de komst van de prins, onlangs van Antwerpen naar Delft getrokken. Het gezin is katholiek, maar overigens de zaak van de prins zeer toegedaan. Zijn katholieke achtergrond brengt Job al direct in aanvaring met Pieter Vis, de treiterige zoon van de machtigste schepen van Delft, die hem voor 'Vlaamse armoedzaaier' en 'achterlijk papenjong' uitmaakt. Bij die gelegenheid leert Job de herbergierszoon Robbert Karsen en de goedgebekte, in armoedige jongenskleren gestoken Cornelia Maaikesdochter kennen. De drie zijn al snel onafscheidelijk en doen in hun afkeer van de 'Spekken' (eigenlijk varkens, de Spanjaarden dus) voor elkaar niet onder.

Inmiddels heeft Francois Guyon een kamer betrokken in de herberg van Robberts vader. De nieuwsgierige herbergier en Guyon proberen Job bij diens bezoeken regelmatig uit te horen over de komst van de prins. Job houdt zijn kaken echter stevig op elkaar. Als Pieter Vis bij de aankomst van de prins suggereert dat Job, die 'katholieke verraaier', dit nieuwtje wel snel zal doorbrieven aan zijn 'paapse maatjes', is Job dan ook des duivels en ramt hij er stevig op los. Verraad is wel het laatste wat in hem op zou komen. Hij maakt er integendeel een gewoonte van om samen met Cornelia en Robbert verdachte lieden in de buurt van Het Prinsenhof in de gaten te houden. Stel je voor dat zij een aanslag op de prins zouden beramen.

Het verhaal neemt een dramatische wending als Guyon, die inmiddels tot koerier van de prins is gepromoveerd, Job en Robbert twee pistolen voor hem laat ophalen in het nabijgelegen legerkamp. Hij heeft die nodig, beweert hij, voor een nieuwe reis in opdracht van de prins. Ongewild en ongeweten spelen de jongens de moordenaar van de prins aldus de moordwapens in handen. Als op 10 juli 1584 de fatale schoten worden afgevuurd, realiseert de arme Job zich onmiddellijk dat hij buiten zijn schuld medeplichtig is.

De laatste veertig pagina's van het boek zijn de mooiste. Job, die zich aanvankelijk met behulp van Cornelia weet schuil te houden maar ten slotte toch in het gevang belandt, is ten einde raad en verbleekt tot een passieve held. Vanaf nu neemt Cornelia het heft in handen. Het is aan haar besliste optreden te danken dat Job aan de wraak van schepen Vis en de door hem opgestookte Delftse bevolking weet te ontkomen. Hoe dit precies in zijn werk gaat, verklap ik niet, maar erg triomfantelijk is zijn aftocht niet. Hij verdwijnt welbeschouwd als een dief in de nacht en de enige troost daarbij is dat Cornelia, op wie hij intussen stevig verliefd is geworden, met hem meegaat.

Job is, ik zei het al, een heel origineel personage. Er komt een forse portie jongensromantiek en heldenmoed in hem samen en toch moet hij, vals beschuldigd en als speelbal van het lot, nogal schlemielig het toneel verlaten. Zijn rol is, hoezeer ook buiten zijn schuld, dubieus. Kom daar bij eerbiedwaardige voorgangers als Joh.H.Been of W.G. van de Hulst eens om! Dat Cornelia, deze representante van de zestiende-eeuwse girlpower, als bijfiguur die gaandeweg steeds meer aan belang wint, schandelijk onderbelicht blijft, moeten we Joyce Pool maar vergeven. Je kunt niet alles in één keer goed doen.

mailIcon print |