*

 

Vrouwen in de wetenschap hinderen elkaars carrière

DURK HAK − 02/09/00, 00:00

recensie De bespreking indertijd in Trouw (11 september 1998) van het proefschrift van Inge de Wilde over vrouwelijke studenten en docenten aan de Rijksuniversiteit van Groningen sloot ik af met de verzuchting: ,,Ik moet me al sterk vergissen, maar ik denk dat er momenteel minder vrouwelijke hoogleraren en universitaire hoofddocenten aan de universiteit werkzaam zijn dan enkele decennia geleden. Weliswaar zijn ze in de lagere rangen een minder zeldzame soort, maar hun geringe aantal in de hogere posities is in het oog lopend.'

In haar studie 'Vrouwen in de Academies van Wetenschappen' uit ook Noordenbos haar verbazing over deze situatie. De aanleiding vormde het lezen van een biografie over Marie Curie in 1996, waarbij ze werd getroffen door de discussie over en de weerstand tegen haar voordracht voor de Franse Academie des Sciences in 1910. Hier kwam nog bij het feit dat in Nederland pas in 1950 de kristallografe Carolina MacGillavry (1904- 1993) lid van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen (KNAW) werd. Hoe komt het toch, zo vroeg ze zich af, dat de voordracht van een vrouw blijkbaar zo bedreigend werd en wordt ervaren en dat zo weinig vrouwen de wetenschappelijke top halen?

Noordenbos geeft een panoramisch overzicht van de oprichting van de verschillende academies van wetenschappen en van de omstandigheden waaronder dit gebeurde. Ook de aantallen vrouwen die lid van zo'n college zijn worden weergegeven. Vervolgens voert ze de vrouwelijke beoefenaren van de wetenschap ten tonele die lid werden of die dat juist niet werden.

Een beetje spijtig is het dat Noordenbos geen echt antwoord heeft op de vraag waarom vrouwen op hun wetenschappelijk pad blijkbaar zoveel barrières tegenkomen. Ze komt niet verder dan het noemen van een aantal factoren die ze in de literatuur tegenkwam. De belangrijkste reden is zonder enige twijfel gelegen in de mannelijke voorkeur van de ook qua samenstelling overwegend mannelijke benoemingsadviescommissies bij de faculteiten en academies.

De vrouwen die binnen de universiteit de top wel bereiken, worden door de mannen in de regel goed geaccepteerd. Maar ze hebben van de kant van nota bene (de) andere vrouwen in universiteit en wetenschap te maken met een opmerkelijk verschijnsel: het krabsyndroom. Wat houdt dit in? Krabben die in een mand gevangenzitten en die naar boven klimmen om te proberen uit de mand te ontsnappen, worden door de andere krabben naar beneden getrokken. Zo proberen vrouwen in de wetenschap andere vrouwen die bezig zijn de top te bereiken naar beneden te trekken.

Onlangs nog konden de Trouw-lezers met dit fenomeen kennismaken in een paginagroot interview met een vrouwelijke wetenschapper die ook onderzoek doet naar de positie van vrouwen in de wetenschap, getiteld 'Zwoegend naar boven' (Trouw, 19 februari). In het interview wordt gezegd dat de (weinige) vrouwen die de top in de wetenschap wel halen, dit doen door middel van een abjecte (!) mannelijke beoefening van de wetenschap. Alsof er behalve goede wetenschap ook nog zoiets als mannelijke wetenschap zou bestaan, maar dit terzijde.

Hieraan voegt ze nog toe, dat ze zich nooit tot dergelijke praktijken zou verlagen ook al zou ze daarmee geen hoogleraar worden: ,,Qua status en positie bungel ik als universitair docent onder aan de ladder. Maar dat wil niet zeggen dat je niet op een deelgebied een reputatie kunt verwerven. Ik kies voor de inhoud, doe graag kritisch onderzoek naar zaken die me aan het hart gaan. Doe ik dat niet, dan droog ik op. Dan maar wat minder status.'

Ook Noordenbos maakt zich wel eens schuldig aan deze praktijk: zo wordt het hierboven genoemde proefschrift van De Wilde, een van de weinige studies naar academisch opgeleide vrouwen en vrouwelijke docenten aan de universiteit (van Groningen), niet genoemd. Ook de studies naar de positie van vrouwen in de wetenschap van de door Trouw geïnterviewde vrouwelijke wetenschapper zoekt de lezer tevergeefs.

Het interessantste deel van de studie van Noordenbos vormt ongetwijfeld het tweede deel. Hierin geeft ze van de vijftien vrouwelijke leden die de KNAW sedert 1951 telt of telde een beschrijving van de (wetenschappelijke) levensloop, die helaas soms wel wat kort uitvalt. Vervolgens gaat ze nader in op de 'seksespecifieke factoren in de loopbaan van vrouwelijke leden van de KNAW'. Ze kijkt dan naar de desbetreffende factoren in opvoeding en opleiding, in de studie en de wetenschappelijke loopbaan, en in het wetenschappelijke vakgebied. Ook zoekt ze naar vormen van expliciete en impliciete discriminatie. De vraag of deze vrouwen loopbaan en kinderen combineerden, onderwerpt ze eveneens aan nader onderzoek. Verder dan de volgende verzuchting, waar ik het overigens mee eens ben, komt ze niet: ,,Op het totale aantal universitaire hoofddocenten zal het percentage vrouwen echter slechts marginaal toenemen. Om een meer evenredige verdeling te krijgen van vrouwen en mannen op alle niveaus in de wetenschappelijke hiërarchie, is nog een lange weg te gaan.' Maar voorstellen om de mannen in de wetenschap van hun mannelijke (voor)oordelen af te helpen of de vrouwen hun krabsyndroom te helpen overwinnen, ontbreken.

mailIcon print |