recensie De dichter b. zwaal houdt niet van hoofdletters. In zijn gedichten tref je ze althans nagenoeg niet aan. Ook de titels van zijn bundels en zelfs zijn eigen naam schrijft hij steevast zonder kapitalen.
Het is natuurlijk een maniertje, een maniertje om op te vallen dat zich ook goed laat rijmen met het algemene beeld van zwaals poëzie, waarin het theatrale element zelden ontbreekt.
Maar er zit denk ik meer achter. Wat zwaal op hoofdletters tegen zal hebben, is dat je ze niet kunt horen. Ze klínken niet. En op klank, ritme en cadans komt het voor hem aan.
Voor zwaal is het gedicht bovenal een klanklichaam. Daarbinnen moet het in wisselende tempi vloeien en stromen, aanzwellen en wegsterven. Hoofdletters zijn voor hem oninteressant omdat je ze niet kunt horen, en ongewenst omdat ze het woord visueel afgrenzen van zijn omgeving en daarmee de klankbeweging optisch verstoren.
zwaal is zichzelf op dit punt immer trouw gebleven. Dit geldt ook voor zijn nieuwe bundel, 'zee bestookt'. De klank regeert, zoetvloeiend of rauw, en altijd in beweging. Die beweging uit zich onder meer in talloze handelingswerkwoorden: 'hitte spat', 'buik baart', 'zee bestookt'. En ook in veel van zwaals grillige neologismen: klefwaarts', schenwegen', waterzwel'.
Ook anderszins wijkt deze bundel nauwelijks van zijn voorgangers af. De gedichten zijn wederom titelloos en afwisselend heel kort (de watervoor // betast' is het kortste) of lang. De lange(re) zijn het meest exuberant. Dit alles is klassiek zwaals, evenals het vrijwel ontbreken van typisch poëtische thema's als tijdelijkheid en teloorgang. Komt dit laatste al eens ter sprake, dan wordt de existentiële lading direct in een dartel klankspel bezworen:
'schenk uw maling uit.
teel.
tel uw oortjes.
ga te loor'.
De meest opvallende constante, ten slotte, is de toonaangevende rol van de erotiek. Zeezichten en landschappen liggen voortdurend in een ornamentele seksualiteit te kijk. Van een vruchtbaar rivierlandschap vol 'zoetschoot' en staalbelust tarwe' heet het: 'fruit trilde zijn suikers, vrouw bloemde over // strakke dijen formeerden hun schoten / vochteisend in het hurkerig land'.
Elders is sprake van 'schier dorstig vlees, trillend een klampje', van 'vleesmaal', van openlijke borsten' die scheldedronken schonken'. Het aantal voorbeelden waarin borsten dan wel 'de vulvatische streken' een welluidend woordje meezingen, is niet te tellen. Het lijkt soms epaterend bedoeld, zeker wanneer in een barokke scène in de maagdenkerk' een ontmaagding van een Mariabeeld wordt gesuggereerd. Ik geloof niet dat het zwaal hier primair om het afbreken van een heilig huisje te doen is, al speelt dat op de achtergrond wel mee. Veeleer lijkt het mij een speelse proeve van taalontmaagding, van een bevrijding van het klanklichaam uit de kluisters van de één-op-éénrelatie met de werkelijkheid.
Als het er wezenlijk op aan komt hoeft de taal van zwaal niet zo nodig iets te betekenen. Zij moet vrij zijn: klinken; en vooral vreemd gaan: samenklinken met haar akoestische context. Zo er in zijn poëzie al sprake is van een promiscue tendens, dan handelt het in hoofdzaak om de bevrijdende promiscuïteit van de klank.
zwaal zoekt nergens naar de grond van het bestaan. Hij schreef vroeger al eens: 'ik tast niet aan de werkelijke wereld', en ook in deze bundel, zo staat er, begrijpt het brein geen grein'. Dit gebrek aan werkelijkheidszin, aan betekenis ook, gaat wel eens irriteren, maar daar staat tegenover dat van zijn associatieve klankgedichten een grote suggestieve meerwaarde uitgaat.
Geheel zonder fundament is zijn poëzie dan ook niet, waar hij bijvoorbeeld schrijft: 'haar mond is mij de grond/versta, uit haar gena/is alles'. Elders spreekt hij op de van hem bekende woordroezige wijze van mondhonger', mondklooi' en een éénparig schrobben'(!) van lippen. Er is dus in elk geval een stevige erotische basis. En vergeet niet dat de taal zelf ook een mondverschijnsel is! Met de mond kun je zoenen, maar ook zeggen. En daarmee zijn we terug bij de klankmagie, die bij zwaal een welhaast autonome functie heeft, getuige het volgende kleine gedicht:
'van het continent valt de rand
en 't is weg die beschaving
het woord danst op de golven'
Vooral de langere en meer theatrale verzen zijn merendeels zeer geslaagd. Wie een striemend erotisch gedicht zo pathetisch en mooi in rederijkerstrant weet af te sluiten met 'o prince stervenswoud', die kan wat. De lezer frapperen namelijk. Hem inpakken met de tover van zijn taal. En dan doet het er inderdaad weinig meer toe waar zulke gedichten nou precies over gaan.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.