recensie Liefde maakt blind, luidt het gezegde, maar daar merk je bij poëzierecensent en essayist Guus Middag doorgaans weinig van. Zijn liefde voor de poëzie, want daarover hebben we het, lijkt zijn blik eerder te scherpen dan te verblinden. Hij is een geduldige en aandachtige poëzielezer, zo een die het liefst uitvoerig bij één of enkele gedichten stilstaat en zijn ogen en hersens goed de kost geeft.
Die verliefde scherpziendheid komt fraai tot uiting in zijn onlangs uitgekomen essaybundel 'De eerste keer'. Het boek bevat zestien opstellen, die alle in een precieze stijl en zonder literaire dweepzucht of tekstinterpretatieve hocus-pocus verslag doen van zijn leeservaringen. De eerste acht zijn gewijd aan afzonderlijke gedichten van onder meer Vestdijk, Van Geel, Otten, Emmens, Brodsky en Philip Larkin. De andere stukken zijn breder van opzet en stellen elk het werk van één dichter centraal, onder wie Gezelle, Hanlo, Vroman, Beurskens en Komrij. Ook in die portretterende essays is het betoog opgehangen aan de analyse van meestal maar enkele gedichten.
Middag is meer gefixeerd op het afzonderlijke gedicht dan op het bundelbrede panorama. Zijn speurzin en vindingrijkheid beperken zich niet tot wat er woordelijk staat. Ook wat er niet staat wordt in kaart gebracht. Zo behandelt hij in het openingsessay 'De eerste keer' drie gedichten van Vestdijk, Brodsky en Larkin, die alle de inwijding in de liefde tot onderwerp hebben. Met betrekking tot de eerste twee merkt hij op: ,,Net als bij Vestdijk is het een witregel die moet beschrijven hoe de inwijding in de liefde verlopen is.'' Het vrijen zelf geschiedt dus buiten beeld, in het wit tussen twee strofen. In Middags analyse is dat niet zonder belang, daar hij het begrip inwijding in verband brengt met leegte: je wint er weliswaar iets bij, maar je verliest ook iets: je onschuld. Het overheersende gevoel, aldus Middag, is dan ook leegte, en zo opgevat is de witregel waarin het allemaal gebeurde uiterst functioneel.
In een ander stuk buigt hij zich over een Duits drinklied waarin een koekoek door een jager wordt doodgeschoten. Een jaar later echter, zo besluit het lied, 'da war der Kuckuck wieder da'. De crux is dat dit lied handelt over twee verschillende koekoeken, maar door ze beide 'der Kuckuck' te noemen is het net of het om één koekoek gaat, die dan in de slotregel zogenaamd uit zijn as herrijst.
Dit vrolijke knaleffect zal zowel voor zingende drinkebroers als voor de meeste lezers een volkomen bevredigend einde opleveren. Maar Middag redeneert dóór. Hij ziet ook de duistere kant van deze magische truc, die een dode vogel slinks achter een levend exemplaar wegmoffelt om de schijnbaar montere teneur van het gedicht niet te bederven. Hij wordt vooral getroffen door de ambivalentie van deze truc met de dood, die zoiets onmogelijks oplevert als een 'halve troost': ,,het leidt, voor wie erover nadenkt, steeds weer tot gehannes en twijfel en halfslachtigheid''. Het is typerend voor Middag dat hij zich niet makkelijk door literaire trucage laat verleiden. Hij blijft kijken naar wat er achter de beoogde effecten schuilgaat.
Een sterk staaltje van zien-wat-er-niet-staat levert het essay 'Onbewaakte ogenblikken', dat een herfstgedicht van Obe Postma ontrafelt. Het is een soort dorps-, annex natuurtafereel in een opgewekte toonsoort: 'Wat klinkt het blij!' staat er zelfs twee keer. Middag echter presteert het, in een overtuigend literair proces-verbaal dat ik onmogelijk zelfs maar op hoofdpunten kan samenvatten, aannemelijk te maken dat ook hier een vogel, een eend ditmaal, onzichtbaar voor de lezer uit de lucht wordt geschoten. Ik weet wel zeker dat het niet één lezer zou opvallen, maar na Middags vernuftige betoog kun je om dit onzichtbare feit nauwelijks nog heen.
Hoewel Middag duidelijk veel heeft opgestoken van de ooit gangbare close-reading-methode, die het gedicht als een autonome woordwereld beschouwt, neemt hij het met die autonomie gelukkig niet zo nauw. Waar nodig brengt hij zijn eigen emoties nadrukkelijk in het geding. Zo komt hij, in welk verband precies doet er niet toe, te spreken over leegte en eenzaamheid in relatie tot helderheid. ,,Uit eigen ervaring ken ik een soort aanvallen van panische helderheid, niet prettig.''
Als kenmerken ervan noemt hij desintegratie, 'vacuümgevoelens' en een gevoel van 'volstrekte nietswaardigheid'. Niet zonder humor brengt hij een en ander in verband met de religieuze ervaring: ,,Als er in onze hersenen een religieuze knobbel zou zijn aan te wijzen, dan zou het me niet verbazen als die in de buurt van de helderheidskwab en de vacuümlob gelokaliseerd kon worden.'' Ik vind dit een hoogst curieuze confessie voor iemand die in zijn essays zo vasthoudend en origineel de zaken helder tracht te krijgen. Kennelijk grenst absolute helderheid voor Middag direct aan een onrustbarende leegte.
Waarschijnlijk is dit ook de reden dat de twee laatste essays uit zijn bundel, over Faverey en Komrij, iets onderkoelds en tweeslachtigs hebben. Met name het beeld van Komrij is ambivalent. Middag geeft een goede weergave van de Houdini-achtige, kunstige wijze waarop Komrij het leven in zijn volheid betrapt en aan het slot van zijn gedichten steevast in een ironisch niets laat verdwijnen. Hij zegt daar grote bewondering voor te hebben, maar betrapt zich er tegelijkertijd op dat Komrij's ironische illusionisme hem ergert. ,,Niemand (zal) zich onvoorwaardelijk aan deze vacuümgezogen poeüie overgeven'', heet het, en: ,,wat een koude kunst, wat een buitenkantigheid''. En in één moeite door merkt hij op: ,,De poëzie van Komrij laat mij op een bepaalde manier koud, net als die van Kuijper en Faverey trouwens''.
Alweer dat vacuüm dus, dat we toch wel als een persoonlijke obsessie van Middag mogen beschouwen. Het verbaast me dat hij zijn bundel uitgerekend besluit met twee dichters die hem in zeker opzicht koud laten of irriteren. Had het niet meer voor de hand gelegen om met de stukken over Vestdijk, Beurskens of Van Geel, die hij wel onvoorwaardelijk bewondert, te eindigen? Overigens vind ik die vergelijking tussen Faverey en Komrij, die zeker al zo'n tien jaar in zwang is en veel van het abstractievermogen van de lezer vergt, geforceerd en weinig zinvol.
Maar die 'vacuümgevoelens' van Middag intrigeren me, en het pleit voor hem dat hij die zo openlijk bij zijn beschouwingen betrekt. Dat ze hem tot een negatief oordeel brengen over Komrij's superieure veinzerij, die de waarheid tot achter het masker van de waarheid achtervolgt en uitdaagt, moeten we hem dan maar vergeven. Want diezelfde vacuümgevoelens en aanverwante emoties maken hem, vermoed ik, op andere momenten tot de scherpzinnige, soms bijna helderziende interpretator die hij ook is. En daarvan hebben we er in Nederland niet veel.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.